De zaken betroffen twee studenten uit Gaza die waren toegelaten tot een masteropleiding aan een Nederlandse universiteit. Voor hen bestond geen bezwaar tegen afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), waarmee zij naar Nederland konden reizen. Om het visum op te halen, moesten zij zich melden bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië. Volgens de studenten was het echter onmogelijk om zonder hulp van de Nederlandse overheid de grens van Gaza te passeren.

Daarom verzochten zij de minister van Buitenlandse Zaken om consulaire bijstand. De minister wees dit verzoek af. De Raad van State stelt vast dat de wet de minister geen specifieke bevoegdheid geeft om dergelijke bijstand te verlenen. Omdat er geen wettelijke grondslag bestaat en de overheid deze taak ook niet expliciet op zich heeft genomen, is de weigering geen besluit in de zin van het bestuursrecht.

De Afdeling benadrukt dat de studenten daarmee niet zonder rechtsbescherming staan. Zij kunnen de rechtmatigheid van de weigering laten toetsen door de burgerlijke rechter.

De uitspraken betekenen dat de bestuursrechter niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over verzoeken om consulaire bijstand in vergelijkbare situaties. Daarom heeft de Raad van State zich niet uitgesproken over de vraag of de minister de studenten had moeten helpen Gaza te verlaten.

Voor de betrokken studenten heeft de uitspraak overigens geen praktische gevolgen. Op basis van twee voorlopige uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak in maart 2026 konden zij Gaza al verlaten en inmiddels naar Nederland reizen. In die spoedprocedures had de rechter, op grond van een belangenafweging, bepaald dat de minister zich moest inspannen om hun vertrek uit Gaza mogelijk te maken.

Bron: Raad van State

Laatste nieuws