Het gaat om drie zaken: een student van de Rijksuniversiteit Groningen had ChatGPT gebruikt om zijn bestaande bronnenlijst opnieuw te ordenen. Daarbij ontstonden fouten en vermeende AI-hallucinaties. Hij kon echter aantonen dat de oorspronkelijke literatuurlijst wel correct was, de inhoud van zijn scriptie niet door AI was geschreven en de bronnen waarnaar in de tekst werd verwezen daadwerkelijk bestonden. De Raad van State controleerde dit zelf via eenvoudige zoekopdrachten en vond de betreffende bronnen terug. Daardoor werd de verklaring van de student geloofwaardig. De rechter concludeerde dat sprake was van een slordige fout, niet van fraude.

Bij de tweede zaak lag dat anders. Deze studente had AI gebruikt om de volledige bronnenlijst te genereren. Daarbij ontstonden verzonnen bronnen. Bovendien had de opleiding duidelijke AI-regels, moest een AI-verklaring met prompts worden ingeleverd en ontbrak die verklaring of was deze onvolledig. Volgens de Raad van State is een literatuurlijst een volwaardig onderdeel van het academische werk. Omdat de studente AI had ingezet om dat onderdeel te creëren en daarbij ook de verplichte verantwoording niet had gegeven, bleef de fraudevaststelling overeind.

In de derde zaak ontkende de studente juist dat zij AI had gebruikt. De examencommissie wees op verschillende fouten die sterk leken op AI-hallucinaties. Zij voerde aan dat zij onder tijdsdruk werkte, haar internetverbinding slecht was, zij dyslexie heeft en fouten voortkwamen uit aantekeningen. De Raad van State onderzocht haar aangeleverde aantekeningen, maar vond daarin geen overtuigende verklaring voor de gemaakte fouten. Hoewel er geen direct bewijs van AI-gebruik was, vond de rechter dat fraude de meest aannemelijke verklaring was.

Laatste nieuws