Op 23 september jl. heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de zaak Kuijt tegen Nederland (klachtnr. 19365/19) niet ontvankelijk verklaard omdat de nationale rechtsmiddelen niet uitgeput waren. Het EHRM sprak zich niet inhoudelijk uit over de conformiteit van de reservistenpraktijk van de Hoge Raad met artikel 6 EVRM. Het Hof benadrukt wel dat de ernstige zorgen die aan de klacht ten grondslag liggen, een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad zelf verdienen.
Deze zaak betreft de klacht over de praktijk bij de Hoge Raad der Nederlanden waarbij rechters van de strafkamer die geen deel uitmaken van de zetel waaraan de zaak is toegewezen, als zogenoemde ‘reservisten’ kunnen deelnemen aan de beraadslagingen zonder deel te nemen aan de stemming. Dit gebeurt met het oog op een uniforme uitleg en toepassing van het recht. Klaagster voerde aan dat deze praktijk onverenigbaar is met artikel 6 (recht op een eerlijk proces) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name omdat op deze manier geen recht gesproken wordt door een ‘court established by law’, nu deze praktijk geen grondslag vindt in de wet.
Op 21 januari 2026 hield de Grote Kamer van het EHRM een openbare hoorzitting in deze zaak (https://www.echr.coe.int/w/kuijt-v.-the-netherlands-no.-19365/19-).
In haar uitspraak van 23 september 2026 verklaart het Hof de klacht niet ontvankelijk omdat klaagster niet alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput.
De Staat heeft dat argument aangevoerd en daarbij beargumenteerd dat de Hoge Raad niet in de gelegenheid is geweest om een oordeel over de klacht te geven en dat klaagster daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 35, lid 1 EVRM. Klaagster stelde daar tegenover dat er geen rechtsmiddel bestaat om bij de Hoge Raad te klagen over de werkwijze van de Hoge Raad zelf en dat zij daarom haar toevlucht heeft gezocht bij de wrakingskamer van de Hoge Raad.
Het EHRM beoordeelde dit middel van de Staat als volgt.
Het EHRM merkt op dat de wrakingskamer van de Hoge Raad, binnen haar mandaat, zorgvuldig heeft onderzocht of het beginsel van onpartijdigheid is geschonden en daarbij gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval is. Daarmee heeft klaagster wat dit aspect van de klacht betreft gebruik gemaakt van een relevante rechtsgang maar is dat onderdeel van de klacht kennelijk ongegrond.
De andere onderdelen van de klacht, namelijk dat de rechters die de uitspraak doen niet kunnen worden beschouwd als onafhankelijk en dat de rechtsprekende formatie niet voldoet aan het vereiste volgend uit artikel 6 EVRM dat recht moet worden gesproken door een ‘bij wet vastgesteld’ college konden niet door de wrakingskamer worden beoordeeld aangezien deze kwesties buiten haar bevoegdheid liggen. Deze aspecten hadden aan de Hoge Raad voorgelegd moeten worden in het hoofdgeding van de cassatieprocedure.
Voorafgaand aan de beoordeling van deze klachten benadrukt het EHRM het belang van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die samen met de onpartijdigheid van rechters van essentieel belang is voor het behoud van het vertrouwen van het publiek in rechtspraak en die een noodzakelijke voorwaarde zijn om de beginselen van gedeelde verantwoordelijkheid en subsidiariteit te waarborgen. Dit is van fundamenteel belang voor het systeem van het EVRM.
In reactie op het betoog van klaagster dat de door de wrakingskamer gesuggereerde rechtsgang geen grondslag vindt in de wet en dat er dus procedurele belemmeringen aan in de weg stonden, oordeelde het Hof dat het aan de Hoge Raad zou zijn geweest om hierop in te gaan. Gelet op de rechtstreekse werking van het Verdrag in het Nederlandse recht en de eerder getoonde bereidheid van de Hoge Raad om acht te slaan op argumenten die zijn gebaseerd op beginselen van het Verdrag, aanvaardt het Hof dat er – althans in theorie – op nationaal niveau een doeltreffende rechtsgang bestaat. Ook al is er geen concreet voorbeeld van de door de wrakingskamer bedoelde rechtsgang brengt dit toch mee dat de Hoge Raad nooit de gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van en te oordelen over de argumenten die verzoekster nu voor het Europees Hof heeft aangevoerd. Dit is geen bevredigende situatie aldus het Hof, met name omdat de klacht betrekking heeft op een alom bekende en langdurige praktijk die door de Hoge Raad wordt gehanteerd om uniforme rechtstoepassing te waarborgen. Nu de Hoge Raad in een latere, hier niet mee in verband staande, uitspraak heeft laten zien in staat en bereid te zijn om zijn eigen praktijk te toetsen aan internationale mensenrechtenverdragen acht het Hof het des te belangrijker dat de Hoge Raad de gelegenheid had moeten krijgen om de klachten over die praktijk, die nu voor het EHRM zijn ingebracht, te beoordelen en daarop te reageren.
In het licht daarvan is het Hof tot de conclusie gekomen dat er voor klaagster op nationaal niveau een rechtsgang openstond, maar dat zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Het Hof heeft de klacht daarom bij meerderheid van stemmen niet-ontvankelijk verklaard. Tegelijkertijd benadrukt het Hof dat de ernstige zorgen die aan de klacht ten grondslag liggen, een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad verdienen.
Bron: ECHR