Voorspellen

Ik voorspel dat het een pittig academisch jaar gaat worden. Mijn onderwijslast – dat is geen ideale term, ik geef graag college – neemt dit jaar toe. Niet alleen omdat ik na een aantal jaren line manager te zijn geweest – dat noemen we dan vaak weer corvee – die taak mag overdragen, en daar wat meer onderwijs voor terugkrijg. Maar ook omdat we studenten regelmatig iets willen laten schrijven, en het nakijken van schrijfopdrachten er niet per se leuker op is geworden. Daarbij combineren we die schrijfopdrachten steeds vaker met een mondelinge presentatie en discussie met de docent – met de aantallen studenten die een rechtenopleiding kent, geen sinecure.

Dat dat nakijken minder leuk en dat mondeling noodzaak is geworden, heeft – u raadt het misschien al – alles te maken met de opkomst van kunstmatige intelligentie en generatieve AI in het bijzonder. Het nakijken van een paper omvat tegenwoordig het tijdrovende controleren van (het bestaan van) bronnen en verwijzingen. Zonder mondeling is het maar de vraag of studenten snappen wat ze hebben ‘opgeschreven’. Toen ik afgelopen week een groep studenten in een klein vak vertelde over de wekelijkse schrijfopdracht (‘reflecteer in 500 woorden op de voorgeschreven stof zodat we het er tijdens college écht over kunnen hebben’), zag ik ze denken: gelooft ze nou werkelijk dat wij dat werk (lezen, nadenken, schrijven) zélf gaan doen?

Zelf doe ik dat graag: nadenken, en dat gaat het beste in combinatie met lezen en/of schrijven. Ik snap natuurlijk ook wel dat niet elke student dit in de be­­roepspraktijk dagelijks gaat doen, maar wat mij betreft omvat een rechtenstudie ook: puzzelen op teksten, kauwen op zinnen, bouwen aan argumenten die je goed op papier of helder uit je mond wilt krijgen. Niet zozeer omdat het resultaat daarvan altijd béter is dan iets wat AI kan genereren, maar omdat de tijd die daarin gaat zitten, de kritisch-denkenspier traint. (Ik lees liever een rommelig paper met originele gedachten, dan dat wat we AI slop zijn gaan noemen.) 

Op vakantie las ik het boek Prophecy van Carissa Véliz, hoofddocent philosophy and ethics aan Oxford, dat net was verschenen. Daarin onderzoekt zij het verleden, het heden, de beloften en de risico’s van prediction, van het orakel van Delphi tot AI. De steeds grotere rol van voorspellingen die berusten op steeds meer data, staat volgens haar niet alleen op gespannen voet met privacy en auteursrecht, maar gaat ook voorbij aan het feit dat voorspellingen simpelweg geen feiten zijn. Dit terwijl ze wél de toekomst of althans ons handelen in de richting van een voorspelde toekomst beïnvloeden (denk aan peilingen). Niet zelden gaat het de hedendaagse ‘orakels’ daarbij in essentie precies om díe macht van self-fulfill­ing.

Volgens mij zien we dit bij AI op twee niveaus terug, die ook relevant zijn voor de juridische wereld en de rechtenopleiding. Enerzijds als het gaat om de output van genAI zelf, die neerkomt op een tekstvoorspelling die niet per se ‘waar’ is. Dat meer data en betere modellen het risico op hallucinaties steeds kleiner maken, neemt niet weg dat de voorspelling gebaseerd blijft op wat al is (geweest), en geen recht doet aan wat zou kunnen zijn – welk argument een jurist of student zélf had kunnen bedenken. En dan heb ik het nog niet eens over de invloed van techdiensten op de voorgeschotelde argumenten. Anderzijds betreft het de voorspelling van AI-profeten (of het nu gaat om Tech Bros in de VS of legal AI-believers in Nederland) dat ‘AI de toekomst is en moet zijn’ en ‘de gehele juridische praktijk gaat en moet veranderen’. Daarbij weigeren zij ruimte te maken voor alternatieve toekomsten of voorstellen daartoe. Als er uiteindelijk geen ontkomen meer aan blijkt te zijn, leren we van Véliz, is dat eerder het gevolg van de macht van die profeten dan van het oorspronkelijke gebrek aan alternatieven.

Is AI geen gevaar voor de democratie? Als we democratie verstaan als een open en onzekere toekomst waarover we samen, in een pluralistisch samenleven steeds opnieuw besluiten, dan is de weigering andere opvattingen over de toekomst met AI te accepteren op zich al een schoffering daarvan.

Natuurlijk zie ik dat allerhande AI-tools de rechtspraktijk (en ook het werk op de universiteit en alles wat daarbij komt kijken) op onderdelen efficiënter kunnen maken. Juist wie dat kritische denkvermogen jarenlang heeft getraind, kan er bovendien inhoudelijk baat bij hebben. Maar ik maak me wel degelijk zorgen over de aankomende generatie(s) juristen: over de student die de stof steevast laat samenvatten zonder zelf te lezen, of opdrachten laat schrijven en een masterscriptie in een week op papier denkt te hebben. Die klaagt dat het antwoord dat Chat hem influisterde op het tentamen niet sowieso de volle punten krijgt (terwijl het afwijkt van de voorgeschreven stof), of weigert te accepteren dat een voldoende voor academisch schrijfwerk verlangt dat bronnen waarnaar wordt verwezen daadwerkelijk bestaan.

Ik had nooit willen studeren in een tijd waarin je voor gek wordt verklaard als je het lees-, denk- en ­schrijfwerk voor je studie zelf doet. Natuurlijk is het ­lastig hier weerstand aan te bieden; gelukkig zijn er studenten die dat wel doen. Ik wil ook niet zeggen dat wie ‘eerder’ een rechtendiploma behaalde, automatisch wél over het kritisch denkvermogen beschikt dat je als jurist nodig hebt.

Kijk maar eens naar Mona Keijzer – die Nederlands recht studeerde – en haar onlangs gepresenteerde Project 2029. Niet alleen die titel lijkt verdacht veel op die van het Amerikaanse Project 2025. Kennelijk door AI gegenereerde vertalingen als ‘opdracht aan de uitvoering’ (‘executive order’) lijken te miskennen dat we in Nederland een parlementair en geen presidentieel stelsel hebben. Keijzer stoorde het blijkbaar niet. Misschien moet ik er maar eens een tentamenvraag van maken.

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/1401, afl. 26

Afbeelding: istock

Over de auteur(s)
Ingrid Leijten
Hoogleraar Nederlands en Europees constitutioneel recht aan Tilburg University