De Afdeling advisering van de Raad van State heeft forse kritiek op de Novelle uitbreiding vermogenswinstbelasting box 3. Het op 28 oktober 2026 vastgestelde en op 2 november gepubliceerde advies ziet op de voorgenomen aanpassing van het Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3, dat momenteel bij de Eerste Kamer ligt.
Vermogensaanwas en vermogenswinst
Het Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 voorziet vanaf 1 januari 2028 in belastingheffing over het werkelijke rendement. Daarbij vormt de vermogensaanwassystematiek het uitgangspunt, terwijl voor onder meer onroerende zaken en startende ondernemingen een vermogenswinstsystematiek geldt. Uiteindelijk wil de regering vanaf 2030 volledig overstappen op belastingheffing over vermogenswinsten. Met de novelle wordt daarop vooruitgelopen door financiële instrumenten al vanaf 2028 onder die systematiek te brengen. Daardoor zou gedurende twee jaar een hybride stelsel bestaan waarin nog slechts een beperkt deel van het vermogen volgens de vermogensaanwassystematiek wordt belast.
Onzorgvuldig wetgevingsproces
De Afdeling is kritisch over de snelheid waarmee deze fundamentele wijziging via een novelle wordt doorgevoerd. Volgens haar gaat deze werkwijze ten koste van een zorgvuldig wetgevingsproces en heeft zij negatieve gevolgen voor zowel de kwaliteit als de uitvoerbaarheid van de regeling.Ook het tijdelijke onderscheid tussen verschillende soorten vermogen stuit op bezwaren. Volgens de Afdeling ontbreekt een overtuigende motivering voor het gedurende twee jaar naast elkaar laten bestaan van twee verschillende heffingssystemen. Bovendien vraagt deze tijdelijke constructie om 252 fte extra personeel en brengt zij circa € 31 miljoen aan aanvullende uitvoeringskosten mee. Tegen de achtergrond van de langdurige discussie over box 3 en de verschillende juridische procedures en hersteloperaties acht de Afdeling juist rust en duidelijkheid noodzakelijk.
Grote uitvoeringsrisico’s
Ook voor de Belastingdienst en belastingplichtigen brengt het voorstel aanzienlijke risico’s mee. Voor slechts twee jaar zou een nieuw en complex systeem van vermogensaanwasbelasting in werking treden. Dat legt volgens de Afdeling een zware belasting op de uitvoering en op het doenvermogen van burgers. Daarnaast ontstaan risico’s doordat al vanaf 2028 voor een groot deel van de vermogensbestanddelen de vermogenswinstsystematiek gaat gelden, terwijl tot 2030 niet steeds voldoende contra-informatie beschikbaar is.Uit de uitvoeringstoets blijkt bovendien dat de Belastingdienst de novelle voor 2028 onuitvoerbaar acht. Gezien de bestaande druk op de Belastingdienst en de aangekondigde structurele bezuinigingen vindt de Afdeling invoering in dat jaar daarom niet verantwoord. De discussie over de financiële dekking van het voorstel draagt volgens haar verder bij aan de onzekerheid.
Voorkeur voor nieuw stelsel per 2030
De Afdeling adviseert daarom een andere koers. Het Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 zou moeten worden ingetrokken en de novelle zou niet moeten worden ingediend. In plaats daarvan kan de regering met een nieuw voorstel komen waarmee vanaf 2030 in één keer wordt overgestapt op een solide, uitvoerbaar en financieel gedekt box 3-stelsel.Wil de regering toch doorgaan met het bestaande wetsvoorstel en de novelle, dan adviseert de Afdeling de vermogenswinstbelasting pas vanaf 2030 en meteen voor alle box 3-vermogensbestanddelen in te voeren. In beide scenario’s blijft de huidige forfaitaire systematiek met tegenbewijsregeling in 2028 en 2029 bestaan.De Afdeling heeft daarmee zodanige bezwaren tegen de novelle dat zij adviseert deze niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het voorstel wordt aangepast.
Vermogensaanwas en vermogenswinst
Het Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 voorziet vanaf 1 januari 2028 in belastingheffing over het werkelijke rendement. Daarbij vormt de vermogensaanwassystematiek het uitgangspunt, terwijl voor onder meer onroerende zaken en startende ondernemingen een vermogenswinstsystematiek geldt. Uiteindelijk wil de regering vanaf 2030 volledig overstappen op belastingheffing over vermogenswinsten. Met de novelle wordt daarop vooruitgelopen door financiële instrumenten al vanaf 2028 onder die systematiek te brengen. Daardoor zou gedurende twee jaar een hybride stelsel bestaan waarin nog slechts een beperkt deel van het vermogen volgens de vermogensaanwassystematiek wordt belast.
Onzorgvuldig wetgevingsproces
De Afdeling is kritisch over de snelheid waarmee deze fundamentele wijziging via een novelle wordt doorgevoerd. Volgens haar gaat deze werkwijze ten koste van een zorgvuldig wetgevingsproces en heeft zij negatieve gevolgen voor zowel de kwaliteit als de uitvoerbaarheid van de regeling.Ook het tijdelijke onderscheid tussen verschillende soorten vermogen stuit op bezwaren. Volgens de Afdeling ontbreekt een overtuigende motivering voor het gedurende twee jaar naast elkaar laten bestaan van twee verschillende heffingssystemen. Bovendien vraagt deze tijdelijke constructie om 252 fte extra personeel en brengt zij circa € 31 miljoen aan aanvullende uitvoeringskosten mee. Tegen de achtergrond van de langdurige discussie over box 3 en de verschillende juridische procedures en hersteloperaties acht de Afdeling juist rust en duidelijkheid noodzakelijk.
Grote uitvoeringsrisico’s
Ook voor de Belastingdienst en belastingplichtigen brengt het voorstel aanzienlijke risico’s mee. Voor slechts twee jaar zou een nieuw en complex systeem van vermogensaanwasbelasting in werking treden. Dat legt volgens de Afdeling een zware belasting op de uitvoering en op het doenvermogen van burgers. Daarnaast ontstaan risico’s doordat al vanaf 2028 voor een groot deel van de vermogensbestanddelen de vermogenswinstsystematiek gaat gelden, terwijl tot 2030 niet steeds voldoende contra-informatie beschikbaar is.Uit de uitvoeringstoets blijkt bovendien dat de Belastingdienst de novelle voor 2028 onuitvoerbaar acht. Gezien de bestaande druk op de Belastingdienst en de aangekondigde structurele bezuinigingen vindt de Afdeling invoering in dat jaar daarom niet verantwoord. De discussie over de financiële dekking van het voorstel draagt volgens haar verder bij aan de onzekerheid.
Voorkeur voor nieuw stelsel per 2030
De Afdeling adviseert daarom een andere koers. Het Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 zou moeten worden ingetrokken en de novelle zou niet moeten worden ingediend. In plaats daarvan kan de regering met een nieuw voorstel komen waarmee vanaf 2030 in één keer wordt overgestapt op een solide, uitvoerbaar en financieel gedekt box 3-stelsel.Wil de regering toch doorgaan met het bestaande wetsvoorstel en de novelle, dan adviseert de Afdeling de vermogenswinstbelasting pas vanaf 2030 en meteen voor alle box 3-vermogensbestanddelen in te voeren. In beide scenario’s blijft de huidige forfaitaire systematiek met tegenbewijsregeling in 2028 en 2029 bestaan.De Afdeling heeft daarmee zodanige bezwaren tegen de novelle dat zij adviseert deze niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het voorstel wordt aangepast.
Bron: Raad van State