Nederland heeft de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in maatregelen om te voorkomen dat bepaalde gedetineerden hun criminele activiteiten vanuit de gevangenis voortzetten of na hun vrijlating opnieuw een gevaar vormen voor de samenleving. Toch is nog onvoldoende duidelijk of deze aanpak daadwerkelijk het gewenste effect heeft. Dat is de belangrijkste conclusie van een verkennend onderzoek van Erasmus School of Law en de Rijksuniversiteit Groningen, uitgevoerd in opdracht van het WODC. Volgens de onderzoekers is daarom voorzichtigheid geboden bij het invoeren van nieuwe, verdergaande maatregelen.
Strengere regimes voor risicovolle gedetineerden
Om de invloed van hoogrisico-gedetineerden te beperken, zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen ingevoerd. Zo zijn de mogelijkheden voor plaatsing in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) verruimd. Daarnaast zijn Afdelingen voor Intensief Toezicht (AIT) opgericht voor gedetineerden die een streng beveiligingsregime nodig hebben, maar niet voldoen aan de voorwaarden voor de EBI. Binnen deze afdelingen gelden uitgebreide veiligheidsmaatregelen. Contact met de buitenwereld wordt sterk beperkt, bezoek vindt plaats onder strikt toezicht en communicatie wordt nauwlettend gecontroleerd. Ook is de samenwerking tussen gevangeniswezen, politie en Openbaar Ministerie geïntensiveerd om zicht te houden op criminele netwerken en voortgezet crimineel handelen vanuit detentie tegen te gaan.
Toezicht stopt niet altijd na de straf
Ook na een gevangenisstraf bestaan mogelijkheden om toezicht te houden op personen die als risicovol worden beschouwd. Zo kan een rechter een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) opleggen, waardoor toezicht na detentie mogelijk blijft. Daarnaast biedt de regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) de mogelijkheid om een deel van de straf onder voorwaarden buiten de gevangenis uit te zitten. De onderzoekers constateren echter dat deze instrumenten niet specifiek zijn ontwikkeld voor hoogrisico-gedetineerden uit de georganiseerde criminaliteit. Hierdoor sluiten ze niet altijd goed aan op de kenmerken van deze doelgroep. Bovendien is de maximale duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling sinds 2021 beperkt tot twee jaar. Volgens experts kan dit ertoe leiden dat sommige langgestraften ervoor kiezen hun volledige straf uit te zitten om toezicht na vrijlating te vermijden, wat een gecontroleerde terugkeer juist kan bemoeilijken.
Moeilijke inschatting van risico's
Een ander belangrijk aandachtspunt is de beoordeling van risico's. Voor hoogrisico-gedetineerden bestaat momenteel geen specifiek instrument waarmee hun gevaar voor de samenleving betrouwbaar kan worden vastgesteld. Bestaande risicotaxatiemethoden zijn vooral ontworpen voor individuele gewelds- of zedendelinquenten. Bij personen uit de georganiseerde criminaliteit spelen echter factoren zoals positie binnen een crimineel netwerk, invloed op andere leden, loyaliteit en financiële middelen een grote rol. Juist deze kenmerken zijn lastig objectief te meten, waardoor een nauwkeurige risico-inschatting ingewikkeld blijft.
Lessen uit het buitenland
De onderzoekers bekeken ook hoe tien westerse landen omgaan met vergelijkbare gedetineerden. Daaruit blijkt dat preventieve detentie, waarbij iemand langer wordt vastgehouden vanwege een verwacht toekomstig risico, internationaal slechts beperkt wordt toegepast. Waar dergelijke maatregelen bestaan, zijn ze gebonden aan strikte wettelijke en mensenrechtelijke voorwaarden. Landen als de Verenigde Staten, Italië en Zweden beschikken over speciale regimes voor gedetineerden die banden hebben met georganiseerde criminaliteit. Deze systemen richten zich vooral op strenge controle en het voorkomen van communicatie met criminele netwerken. Toch bieden zij volgens de onderzoekers geen direct toepasbare oplossing voor de Nederlandse situatie. Wel zien de onderzoekers interessante aanknopingspunten in de Canadese aanpak, met name op het gebied van risicobeoordeling en besluitvorming. Ook de recente ontwikkelingen in Zweden worden gezien als relevant om de komende jaren te volgen.
Eerst evalueren, daarna eventueel uitbreiden
De onderzoekers benadrukken dat Nederland internationaal gezien al vooroploopt als het gaat om preventieve maatregelen voor hoogrisico-gedetineerden. Juist daarom is terughoudendheid belangrijk. Nieuwe maatregelen kunnen leiden tot verdere beperkingen van grondrechten, terwijl nog niet vaststaat dat ze daadwerkelijk bijdragen aan meer veiligheid. Hun advies is daarom duidelijk: onderzoek eerst grondig of de bestaande maatregelen effectief zijn. Pas daarna kan worden bekeken of aanvullende instrumenten noodzakelijk zijn. Daarnaast pleiten zij voor meer onderzoek naar re-integratie, betere methoden voor risicotaxatie en een zorgvuldiger besluitvormingsproces rondom plaatsing in en uitstroom uit streng beveiligde regimes.
Volgens de onderzoekers zal het nooit mogelijk zijn alle risico's volledig weg te nemen. Wel kan de kans op nieuwe criminaliteit worden verkleind door beleid te baseren op wetenschappelijk onderzoek, een zorgvuldige afweging van belangen en een evenwichtige combinatie van veiligheid en re-integratie.