De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben gezamenlijk een nieuwe procesregeling vastgesteld die per 1 juni 2026 geldt. Met deze regeling worden meerdere bestaande regelingen samengevoegd en vervangen, waaronder de procesregeling uit 2014, het procesreglement bestuursrecht uit 2017 en specifieke regelingen voor onteigenings- en vreemdelingenzaken. Daarmee ontstaat één overkoepelend kader voor procedures bij de hoogste bestuursrechters.
De regeling is bedoeld als aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht, die niet alle praktische en procedurele aspecten regelt. Zij geeft richting aan de manier waarop rechters hun wettelijke bevoegdheden inzetten en maakt voor procespartijen duidelijk wat zij kunnen verwachten en wat er van hen wordt verlangd tijdens een procedure. Het gaat daarbij niet om juridisch bindende voorschriften, maar om uitgangspunten die houvast bieden in de praktijk.
Ten opzichte van de eerdere regeling zijn er aanzienlijke veranderingen doorgevoerd. Zo ligt de nadruk nu expliciet op digitaal procederen, dat als uitgangspunt geldt. Daarnaast zijn onderwerpen opgenomen die voorheen nauwelijks of niet waren uitgewerkt, zoals de werkwijze rond het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en de behandeling van verzoeken tot schadevergoeding. Met deze aanpassingen beoogt de regeling beter aan te sluiten bij de huidige praktijk en ontwikkelingen binnen het bestuursrecht.
Bron: Raad van State