De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie in drie zaken over de voormalige kinderpardonregeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van kinderen die al lange tijd in Nederland verblijven. Volgens de hoogste bestuursrechter is bij de beoordeling van de verblijfsaanvragen te veel nadruk gelegd op het feit dat de gezinnen hun leven in Nederland hebben opgebouwd terwijl hun verblijfsstatus onzeker was. Daardoor is onvoldoende gewicht toegekend aan de persoonlijke omstandigheden en het welzijn van de betrokken kinderen.
De zaken betreffen twee Nigeriaanse gezinnen en een Armeens gezin die in 2019 een verblijfsvergunning hadden aangevraagd op basis van de afsluitende regeling voor langdurig verblijvende kinderen. De zeven betrokken kinderen wonen al jarenlang in Nederland, waarvan een aantal hier is geboren. De gezinnen stellen dat zij diepgeworteld zijn geraakt in de Nederlandse samenleving en hier een sociaal leven hebben opgebouwd. De minister wees hun aanvragen echter af omdat volgens hem geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een verblijfsvergunning rechtvaardigden.
De Raad van State benadrukt dat het recht op respect voor het privéleven, zoals beschermd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, een belangrijk onderdeel vormt van de belangenafweging die de minister moet maken. Daarbij mogen de belangen van kinderen niet ondergeschikt worden gemaakt aan het algemene belang van een streng toelatingsbeleid. Ook wanneer een privéleven is opgebouwd tijdens een periode van onzeker of onrechtmatig verblijf, moet de minister volgens de rechter serieus rekening houden met de gevolgen die een langdurig verblijf en langdurige onzekerheid hebben voor de ontwikkeling van kinderen.
Omdat de betrokken kinderen al jarenlang in onzekerheid verkeren over hun toekomst in Nederland en deze situatie volgens de Raad van State negatieve gevolgen heeft gehad voor hun ontwikkeling, vindt de rechter dat verdere procedures niet wenselijk zijn. Daarom heeft de Afdeling bestuursrechtspraak bepaald dat de minister de drie gezinnen alsnog een verblijfsvergunning moet verlenen, waarmee een einde komt aan de langdurige juridische strijd over hun verblijfsrecht.
Bron: Raad van State