De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de klacht (nr. 19365/19) van Kuijt tegen Nederland niet-ontvankelijk is. Op 21 januari 2026 vond een hoorzitting van de Grote Kamer van het EHRM plaats over deze zaak. (https://www.echr.coe.int/w/kuijt-v.-the-netherlands-no.-19365/19-)

Het EHRM sprak zich niet inhoudelijk uit over de conformiteit van de reservistenpraktijk van de Hoge Raad met artikel 6 EVRM. DIt betreft de praktijk bij de Hoge Raad om bij het debat in raadkamer niet alleen de zetel, maar ook de andere leden van de kamer, en in voorkomende gevallen ook leden van andere kamers, in de beraadslaging te betrekken. Het EHRM concludeerde dat verzoekster over een rechtsmiddel beschikte, maar daar geen gebruik van had gemaakt. 

Het Hof onderzocht het verweer van de regering dat mevrouw Kuijt niet alle nationale rechtsmiddelen had benut en daarmee niet had voldaan aan de verplichting om eerst nationale rechtsmiddelen uit te putten (artikel 35, lid 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Het Hof stelde vast dat de wrakingskamer, binnen de grenzen van haar bevoegdheid, de eis van onpartijdigheid zorgvuldig had onderzocht en de afwijzing van het verzoek van mevrouw Kuijt tot wraking van de rechters van de strafkamer deugdelijk had gemotiveerd. 

Ten aanzien van de andere bezwaren, namelijk dat de rechters die over haar cassatieberoep moesten oordelen niet als onafhankelijk konden worden beschouwd en dat de samenstelling van de rechterlijke instantie niet voldeed aan het vereiste van een 'bij wet ingesteld gerecht', oordeelde het Hof dat deze kwesties buiten de bevoegdheid van de wrakingskamer vielen en daarom niet door die kamer konden worden beoordeeld. De wrakingskamer had erop gewezen dat mevrouw Kuijt deze punten in de cassatieprocedure zelf aan de orde kon stellen.

Het Hof benadrukte het belang van rechterlijke onafhankelijkheid. Samen met rechterlijke onpartijdigheid is deze onafhankelijkheid essentieel voor het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak. Daarnaast is zij noodzakelijk voor de beginselen van gedeelde verantwoordelijkheid en subsidiariteit, die fundamenteel zijn voor het EVRM-systeem.

In reactie op het betoog van mevrouw Kuijt dat het door de wrakingskamer genoemde rechtsmiddel geen wettelijke basis had en bovendien op procedurele belemmeringen zou stuiten, overwoog het Hof dat het aan de Hoge Raad was geweest om daarover een oordeel te geven. Gezien de rechtstreekse werking van het EVRM in het Nederlandse recht en de bereidheid van de Hoge Raad om argumenten gebaseerd op verdragsrechtelijke beginselen te beoordelen, achtte het Europees Hof aannemelijk dat er op nationaal niveau ten minste in theorie een effectief rechtsmiddel beschikbaar was.

Er bestond geen praktisch voorbeeld van het door de wrakingskamer genoemde rechtsmiddel, omdat sinds de behandeling van het cassatieberoep van mevrouw Kuijt geen enkel bezwaar tegen het reservistensysteem in een hoofdprocedure was aangevoerd. Daardoor had de Hoge Raad nooit de gelegenheid gehad om de argumenten te beoordelen die mevrouw Kuijt later aan het Europees Hof had voorgelegd.

Volgens het Hof was dit een onbevredigende situatie, temeer omdat de klacht was gericht tegen een bekende en al jarenlang bestaande praktijk van de Hoge Raad, die juist was ingevoerd om een uniforme toepassing van het recht te waarborgen. Het Hof wees erop dat de Hoge Raad in een latere, losstaande uitspraak had laten zien bereid en in staat te zijn zijn eigen werkwijzen te toetsen aan internationale mensenrechtenverdragen. Juist daarom was het des te belangrijker geweest de Hoge Raad de gelegenheid te geven om de kritiek van mevrouw Kuijt op deze praktijk te beoordelen en daarop te reageren.

Gelet op deze overwegingen concludeerde het Hof dat mevrouw Kuijt op nationaal niveau een rechtsmiddel ter beschikking had gehad, maar daarvan geen gebruik had gemaakt. Daarom verklaarde het Hof de klacht, met een meerderheid van stemmen, niet-ontvankelijk. Tegelijkertijd benadrukte het Hof dat de ernstige zorgen die aan haar klacht ten grondslag lagen een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad verdienen.

Bron: ECHR

Laatste nieuws