De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het initiatiefwetsvoorstel van VVD-Tweede Kamerlid Martens-America tot wijziging van de Politiewet 2012. Het voorstel beoogt geüniformeerde buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) te verbieden zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging te dragen.
Het voorstel
Het verbod geldt voor boa’s die tijdens hun werkzaamheden een uniform of bedrijfskleding dragen en daarbij contact hebben met het publiek. Volgens de initiatiefnemer rechtvaardigt de bijzondere positie van boa’s deze beperking. Zij oefenen overheidstaken uit en kunnen onder bepaalde voorwaarden geweld gebruiken. Burgers moeten er daarom volgens haar op kunnen vertrouwen dat boa’s zich niet alleen neutraal opstellen, maar die neutraliteit ook uitstralen.
Noodzaak onvoldoende onderbouwd
De Afdeling advisering is niet overtuigd van de noodzaak van een algemeen verbod. Aan het voorstel ligt een strikte opvatting over de scheiding tussen religie en staat ten grondslag, maar volgens de Afdeling maakt de toelichting onvoldoende duidelijk waarom juist bij boa’s voor deze benadering moet worden gekozen. Ook ontbreken voorbeelden van andere wetgeving waarin een vergelijkbare strikte scheiding is vastgelegd. Daarnaast is onvoldoende aangetoond dat zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke uitingen van boa’s in de praktijk problemen veroorzaken. Evenmin wordt duidelijk waarom minder ingrijpende maatregelen geen uitkomst zouden bieden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan meer variatie in de vormgeving van uniformen.
Grote verschillen tussen boa’s
De Afdeling wijst er verder op dat boa’s sterk uiteenlopende functies vervullen en voor verschillende werkgevers actief zijn. Bovendien behoort niet iedere boa tot de ‘sterke arm’. Met die verschillen houdt het wetsvoorstel volgens de Afdeling onvoldoende rekening. Daardoor blijft onduidelijk waarom voor alle geüniformeerde boa’s in Nederland hetzelfde verbod zou moeten gelden, ongeacht hun werkzaamheden, bevoegdheden of werkomgeving. Een overtuigende rechtvaardiging is volgens de Afdeling des te belangrijker omdat het voorgestelde verbod raakt aan de vrijheid van godsdienst en het recht op gelijke behandeling.
Conclusie
De Afdeling adviseert de initiatiefnemer daarom de toelichting aan te vullen en beter te motiveren waarom een landelijk en algemeen verbod noodzakelijk en evenredig is. Als zo’n dragende motivering niet kan worden gegeven, ligt aanpassing van het wetsvoorstel of het afzien ervan in de rede.
Bron: Raad van State