Uitgangspunt in Nederland is dat rechtszittingen openbaar zijn. Die openbaarheid maakt het mogelijk dat burgers en media de rechtspraak kunnen controleren en draagt bij aan een eerlijk proces en het vertrouwen in de rechterlijke macht. Tegelijkertijd kan openbaarheid risico's opleveren voor de privacy of veiligheid van slachtoffers en andere betrokkenen. Ook rechters, officieren van justitie en andere professionele procesdeelnemers kunnen te maken krijgen met veiligheidsrisico's, bijvoorbeeld in zaken over georganiseerde criminaliteit.
Het onderzoek laat zien dat het sluiten van de rechtszaal als laatste middel moet worden beschouwd. Voordat daarvoor wordt gekozen, moet worden nagegaan of minder vergaande maatregelen voldoende bescherming bieden. Zo kunnen persoonsgegevens van slachtoffers worden afgeschermd, kan een aangifte of verhoor onder nummer plaatsvinden en kan contact tussen slachtoffer en verdachte tijdens de zitting worden beperkt of voorkomen. Ook voor professionele procesdeelnemers bestaan maatregelen om veiligheidsrisico's te verkleinen.
De onderzoekers pleiten niet voor meer of minder behandeling achter gesloten deuren, maar bieden aanknopingspunten voor een zorgvuldiger afweging in individuele zaken. Rechters moeten daarbij onder meer beoordelen welke bescherming daadwerkelijk nodig is, welke risico's betrokkenen lopen en of minder ingrijpende maatregelen volstaan. Volgens het onderzoek kan meer kennis over de bestaande wettelijke mogelijkheden rechters ondersteunen bij deze beoordeling.
Ook wanneer een zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren wordt behandeld, blijft openheid van belang. De beslissing om het publiek uit te sluiten moet goed worden gemotiveerd, zodat controleerbaar blijft waarom een beperking van de openbaarheid noodzakelijk werd geacht. Het onderzoek benadrukt daarmee dat bescherming en openbaarheid niet als absolute tegenpolen hoeven te worden benaderd: het gaat om bescherming waar dat noodzakelijk is en behoud van openbaarheid waar dat mogelijk blijft.