Bij gedelegeerde regelgeving, zoals algemene maatregelen van bestuur en ministeriƫle regelingen, speelt het parlement een andere rol dan bij formele wetgeving. Deze regels worden niet behandeld door de Tweede en Eerste Kamer, omdat zij juist zijn bedoeld om sneller tot stand te komen, flexibel te kunnen inspelen op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen en het wetgevingsproces te ontlasten. Toch kan het parlement invloed uitoefenen wanneer dat wenselijk wordt geacht, bijvoorbeeld via een voorhangprocedure waarbij een ontwerpregeling vooraf wordt voorgelegd, of een nahangprocedure waarbij dit achteraf gebeurt. Een dergelijke betrokkenheid is echter alleen mogelijk als de wet waarin de delegatie is geregeld daar expliciet ruimte voor biedt. Als uitgangspunt geldt daarbij dat deze procedures spaarzaam worden toegepast.
In opdracht van het WODC voerden de Rijksuniversiteit Groningen en de Vrije Universiteit Amsterdam een verkennend onderzoek uit naar de inzet van voor- en nahangprocedures. Zij brachten in kaart hoe vaak deze vormen van parlementaire betrokkenheid in bestaande wetgeving voorkomen en in hoeverre zij in de praktijk daadwerkelijk worden benut. In de Aanwijzingen voor de regelgeving, die dienen als kwaliteitsnorm voor wet- en regelgeving, is vastgelegd dat parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving geen vanzelfsprekendheid is. Alleen als daarvoor bijzondere redenen bestaan, hoort een dergelijke procedure in de wet te worden opgenomen. Ook bevatten de Aanwijzingen voorbeeldbepalingen die richting geven aan een uniforme vormgeving.
Uit het onderzoek blijkt dat in 569 wettelijke bepalingen is vastgelegd dat het parlement op een of andere manier wordt betrokken bij gedelegeerde regelgeving. In de meeste gevallen gaat het om een beperkte vorm, waarin Kamerleden gedurende een vastgestelde termijn de mogelijkheid hebben om vragen te stellen of een debat aan te vragen. De manier waarop deze procedures juridisch zijn ingericht, verschilt echter sterk. Die variatie wijkt af van de veronderstelde uniformiteit in de Aanwijzingen voor de regelgeving en maakt het voor Kamerleden minder inzichtelijk wat er van hen wordt verwacht en welke handelingsruimte zij hebben.
Daarnaast blijkt dat in een groot deel van de wetten niet wordt toegelicht waarom een voor- of nahangprocedure noodzakelijk wordt geacht. Daardoor is moeilijk vast te stellen of de beoogde terughoudendheid bij het opnemen van zulke procedures daadwerkelijk wordt nageleefd. Wel laten de cijfers zien dat gedelegeerde regelgeving met enige regelmaat aan het parlement wordt voorgelegd. In meer dan de helft van de gevallen leidt dat niet tot vragen of debat en neemt de Tweede Kamer het voorstel voor kennisgeving aan. Dat gegeven betekent echter niet dat parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving geen waarde heeft. Volgens de onderzoekers kan juist de complexiteit en versnippering van de huidige procedures de effectiviteit van de controle beperken. Een eenvoudiger en meer uniforme aanpak zou de inzichtelijkheid vergroten en het parlement beter in staat stellen zijn controlerende rol daadwerkelijk te benutten.
Bron: WODC