In haar eindrapport 'Discriminatie doorbreken. Naar een overheid die discriminatie en racisme bestrijdt en voorkomt' presenteert de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme een actieagenda om discriminatie door de overheid in Europees en Caribisch Nederland aan te pakken.
De staatscommissie onderstreept in haar laatste rapport dat discriminatie verborgen zit in wetten, regels, systemen en werkwijzen binnen beleid en dienstverlening en pleit daarom voor een fundamentele koerswijziging: een overheid die niet alleen stopt met discrimineren, maar het voorkomt en actief bijdraagt aan gelijkheid en gelijkwaardigheid. Hoewel discriminatie in Nederland verboden is op grond van artikel 1 Grondwet, blijft het in de praktijk een hardnekkig probleem. Discriminatie en racisme komen voor op de arbeidsmarkt, in de zorg, op de woningmarkt, in het onderwijs en ook door de overheid zelf. Huidige aanpak schiet tekort Discriminatie heeft enorme impact op het leven van mensen en het berokkent de samenleving schade: talent wordt minder benut, mensen voelen zich achtergesteld, inwoners hebben gezondheidsschade, het vertrouwen in de overheid neemt af en hersteloperaties kosten de samenleving miljarden. De commissie signaleert in haar rapport verschillende oorzaken voor het achterblijven van de aanpak van discriminatie en racisme. De overheid heeft een dubbele rol. Zij is hoeder van grondrechten, maar draagt ook zelf bij aan ongeoorloofde ongelijke behandeling. Dit vraagt volgens de commissie om een overheid die kritisch naar haar eigen positie en handelen kijkt. In haar laatste rapport presenteert de staatscommissie een agenda met tien concrete acties om discriminatie en racisme structureel te bestrijden en te voorkomen. De voorstellen richten zich onder andere op betere monitoring van discriminatie, het stoppen van datagedreven profilering, het versterken van wetgeving en toezicht en het actief betrekken van de brede diversiteit aan inwoners die ons land kent bij beleid en wetgeving.
De staatscommissie reikt overheid en samenleving praktische middelen aan om discriminatie effectiever tegen te gaan. Zo kunnen overheidsorganisaties met de ontwikkelde discriminatietoets al in een vroeg stadium nagaan of beleid of dienstverlening onbedoeld tot ongelijke behandeling leidt, en dit direct bijsturen. Daarnaast stelt de commissie voor om stapsgewijs een wettelijke verplichting in te voeren voor de publieke sector, waarbij gelijke behandeling een vast onderdeel wordt van zowel beleid als uitvoering. Hiermee zou Nederland aansluiten bij landen als het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar zo’n aanpak al langer bestaat en structureel wordt toegepast.
Tegelijk maakt de commissie duidelijk dat het tegengaan van discriminatie niet alleen bij de overheid ligt. Het vraagt om een gezamenlijke inspanning van overheid, maatschappelijke instellingen en burgers om tot een werkelijk gelijkwaardige samenleving te komen. Die opgave is blijvend en vraagt om volharding, omdat hardnekkige vormen van uitsluiting niet zomaar verdwijnen, ondanks eerdere vooruitgang. Volgens de commissie zijn daarbij niet alleen regels en instrumenten belangrijk, maar ook leiderschap, bestuurlijke daadkracht en de moed om veranderingen door te voeren. Cruciaal is bovendien dat mensen die met discriminatie te maken hebben actief worden betrokken bij beleid en besluitvorming.
Om ervoor te zorgen dat de voorgestelde maatregelen niet vrijblijvend blijven, adviseert de commissie het kabinet om een onafhankelijke instantie in te stellen die de voortgang bewaakt en stimuleert. Zo moet worden gewaarborgd dat de aanpak daadwerkelijk leidt tot structurele verbetering.