Recente onthullingen over misstanden bij donorconceptie binnen vruchtbaarheidsklinieken laten zien dat er in Nederland nog altijd fundamentele tekortkomingen bestaan in de bescherming van donorkinderen. Hoewel onderzoek naar dit soort praktijken noodzakelijk is, raakt het probleem dieper: de wetgeving richt zich vooral op procedures en laat na om de rechten van donorkinderen expliciet en stevig te verankeren. Het is tijd voor een hernieuwd debat.
Recent zijn er opnieuw misstanden bij donorconceptie bekend geworden: artsen die hun eigen zaad gebruikten, massadonoren, te oude donoren en zelfs het gebruik van ivf-zaad als donorzaad zonder toestemming van de patiënt. Historicus Adriejan van Veen bepleitte de noodzaak van een grootschalig onderzoek naar deze misstanden.1 Dat is zeker nodig, maar niet genoeg: ondanks dat de Wdkb bedoeld was om de rechten van donorkinderen, in het bijzonder het recht op afstammingsgegevens, te waarborgen, is de huidige insteek van deze wet hiervoor nog onvoldoende. Met een blik op de toekomst is het tijd dat de wetgever opnieuw inhoudelijk de discussie aangaat en de rechten van donorkinderen beter verankert in wetgeving.
Nederland staat bekend als een progressief land op het gebied van bio-ethische vraagstukken, maar dat betekent niet dat de rechten van betrokkenen wettelijk duidelijk zijn vastgelegd. Nederlandse wetgeving rondom gevoelige biomedische vraagstukken kenmerkt zich door een procedurele inslag. Abortus en euthanasie zijn goede voorbeelden: beide handelingen zijn strafrechtelijk verboden, maar in bijzondere wetgeving is de procedure neergelegd die een arts moet volgen om niet strafbaar te zijn. Hierdoor wordt geen inhoudelijk statement gemaakt over een recht op abortus of euthanasie als een vorm van zorg voor de vrouw of de patiënt.
Een ander kenmerk is dat de regulering van biomedische vraagstukken vaak wordt overgelaten aan de beroepsgroep, zoals toegang tot vruchtbaarheidsbehandelingen. Het recht op medisch geassisteerde voortplanting is erkend door het EHRM.2 Dit is echter niet terug te zien in de Nederlandse wetgeving. Klinieken kunnen namelijk zelf bepalen wie zij toelaten tot een vruchtbaarheidsbehandeling. Deze vrijheid leidde ertoe dat lesbische stellen en alleenstaande vrouwen systematisch uitgesloten werden van behandeling zonder dat hiervoor een wettelijke reden is.3 Ondanks dat verschillende Ministers van Volksgezondheid deze uitsluiting afkeurden, is er nooit de stap gezet om het recht op toegang tot medisch geassisteerde voortplanting wettelijk te verankeren; het werd immers niet nodig geacht, omdat het aan de beroepsgroep was om dit te regelen.4
Bij de regulering van donorconceptie spelen beide kenmerken van het Nederlandse beleid een rol. Van Veens onderzoek laat zien dat de beroepsgroep grote invloed had op de totstandkoming van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. En hoewel deze wet bedoeld is om donorkinderen het recht op afstammingsgegevens te geven, is de realiteit dat deze wet vooral de procedures regelt rondom donorconceptie. De rechten van donorkinderen moeten tussen de regels door gelezen worden, want het recht op afstammingsgegevens is niet expliciet in de wet terug te vinden. Ook de wetsgeschiedenis spreekt slechts van een belang van het kind bij kennis over zijn afstamming in plaats van een recht op afstammingsgegevens. Sterker nog, vanwege zijn procedurele insteek zou nieuwe regelgeving over het gebruik van buitenlandse donoren en het tegengaan van massadonatie – noodzakelijk omwille van de belangen van donorkinderen – niet in de Wdkb passen, omdat ‘deze wet primair de registratie, het beheer en de verstrekking van gegevens van donoren regelt’.5 Kortom, door deze procedurele houding en het neerleggen van de verantwoordelijkheid bij de beroepsgroep ontbreekt een gedegen wettelijke bescherming van de kinderen om wie het gaat.
Het kan ook anders, bewijst het buitenland, waar de rechten van en verantwoordelijkheden naar donorkinderen wel expliciet in de wet zijn vastgelegd. Het eerste artikel van de Duitse Samenspenderregistergesetz maakt duidelijk dat het doel van het bij die wet opgerichte donorregister is ‘des Rechts [van donorkinderen] auf Kenntnis ihrer Abstammung sicherzustellen’.6 In Amerikaanse staten als Indiana is fertiliteitsfraude, waarbij een arts zijn eigen sperma gebruikt voor een vruchtbaarheidsbehandeling, expliciet vastgelegd in de wet als een grond voor schadevergoeding, waarmee duidelijk is dat dit niet alleen een schending van verantwoordelijkheid richting de patiënt is, maar ook richting het donorkind.7
In het Rijnstate-rapport concludeerde de commissie Kremer dat donorconceptie in Nederland lang onterecht werd benaderd als een medisch-technische handeling, in plaats van een wezenlijk relationeel en existentieel vraagstuk.8 De huidige wetgeving met zijn focus op procedures draagt echter bij aan het beeld van donorconceptie als medisch-technische handeling en laat na om de rechten van donorkinderen expliciet te benoemen. Terwijl dit wel hoognodig is. Het gaat immers om het creëren van nieuw leven. Dit maakt dat er verschillende verbeterpunten voor de Wdkb zijn. Ten eerste is het recht op afstammingsgegevens niet expliciet in de wet vastgelegd, ondanks dat dit als een fundamenteel aspect voor identiteitsvorming wordt gezien. Voorts is het maar de vraag of de beperkte persoonsgegevens die een donorkind kan opvragen voldoende zijn voor het stukje identiteitsvorming: het gaat immers niet om een naam, maar om de persoon die onderdeel is van de ontstaansgeschiedenis van het kind. Zeker bij het gebruik van buitenlandse donoren of te oude donoren zijn de beschikbaar gestelde gegevens zelden voldoende om de donor te kunnen leren kennen. Ten tweede hebben recente misstanden duidelijk gemaakt dat de rechten van donorkinderen niet beperkt mogen worden tot toegang tot donorgegevens. Ook massadonatie, het hebben van talloze halfbroers en -zussen of een frauduleuze aard van de conceptie raken aan de identiteit van het donorkind, en dus aan diens persoonlijkheidsrechten. De rechten van donorkinderen in deze context moeten dus ook geëxpliciteerd worden. Juist omdat het hier gaat om een relationeel en existentieel vraagstuk, is dit een maatschappelijk vraagstuk en is het aan de wetgever om zich inhoudelijk hierover uit te laten. Daarbij moet het gaan over de vraag wat we bij donorconceptie en voortplanting in bredere zin aan onze toekomstige medemens verschuldigd zijn. Hoog tijd dat de wetgever in actie komt en zorgt voor wetgeving die niet primair aandacht heeft voor procedures, maar voor de rechten die door die procedures moeten worden gewaarborgd.
Dit artikel is gepubliceerd in NJB 2026/967, afl. 18
Afbeelding: © Shutterstock
Voetnoten
1 Adriejan van Veen, ‘Opinie: systematisch onrecht bij donorconceptie vergt historisch onderzoek’, de Volkskrant 17 maart 2026.
2 EHRM 3 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1103JUD005781300 (S.H .e.a./Oostenrijk).
3 CGB, Onderzoek uit eigen beweging: geen onderscheid naar burgerlijke staat door de dertien IVF-instellingen ten aanzien van ongehuwde man/vrouw paren; direct onderscheid naar homoseksuele gerichtheid door drie instellingen door lesbische paren uit te sluiten, 7 februari 2000.
4 Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 3287.
5 Brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2026, Kamerstukken II 2025/26, 30486, nr. 41.
6 § 1(2) SaRegG.
7 Indiana Code § 34-24-5-2, -3, -4.
8 Het incident voorbij. (Eindrapport commissie Kremer over KID Rijnstate), 30 januari 2026, rijnstate.nl/media/3770185/het-incident-voorbij-eindrapport-commissie-kremer-over-kid-rijnstate.pdf.