Dagelijks nemen familierechters ingrijpende beslissingen bij scheidingen, waarvan een deel ziet op scheidingsgerelateerde verhuizingen (verhuiszaken). Verhuiszaken gelden binnen het familierecht als een van de moeilijkste en meest controversiële zaken. Hoewel het belang van het kind centraal hoort te staan, is onduidelijk wat dit precies inhoudt. In dit empirisch-juridische proefschriftonderzoek van Loran Kostense is geanalyseerd wat de gevolgen en beleving van scheidingsgerelateerde verhuizingen voor kinderen zijn, en in hoeverre dit aansluit bij het beoordelingskader dat Nederlandse rechters hanteren in binnenlandse verhuiszaken. Het onderzoek omvat (1) analyse van literatuur en rechtspraak, (2) empirisch onderzoek naar geleefde ervaringen en (3) een integrerende synthese. In het eerste deel is de stand van literatuur en rechtspraak onderzocht. Een systematisch literatuuronderzoek van Nederlandstalige en Engelstalige empirische studies leverde zeventien relevante studies op, die verschilden in kwaliteit en opzet. Samengenomen wezen ze op een mogelijke negatieve samenhang tussen scheidingsgerelateerde verhuizingen in de jeugd en psychologisch, relationeel en gedragsmatig functioneren op korte termijn. Over langetermijngevolgen konden geen conclusies worden getrokken. Opvallend was de hoge prevalentie van psychische problemen, middelengebruik en huiselijk geweld in de onderzochte gezinnen. De resultaten onderstrepen de noodzaak van aanvullend empirisch onderzoek, vooral gericht op de lange termijn.
Een systematische rechtspraakanalyse (2021-2023) toont dat rechters verschillende lijsten verhuiscriteria hanteren, die uiteenlopend worden toegepast. Van een uniform beoordelingskader lijkt in beperkte mate sprake te zijn. Het noodzaakcriterium en behoud van contact met de achterblijvende ouder krijgen het meeste gewicht. Noodzaak lijkt te fungeren als drempel, terwijl het belang van het kind vaak wordt ingevuld als het behouden van contact. Ook andere factoren, zoals woningmarktkrapte of het belang van een nieuwe partner, spelen een rol. Vervangende toestemming voor verhuizing werd in ongeveer een derde van de gevallen toegekend, wat wijst op afwijzing in de meerderheid van de zaken. De flexibiliteit van het beoordelingskader maakt maatwerk mogelijk, maar leidt mogelijk ook tot onvoorspelbaarheid en rechtsonzekerheid. In het tweede deel zijn geleefde ervaringen van jongvolwassenen met scheidingsgerelateerde verhuizingen onderzocht. Een vragenlijststudie laat zien dat op de lange termmijn verschillen in psychologisch en gedragsmatig functioneren bestaan tussen groepen met verschillende jeugdervaringen. Deze verschillen blijken echter niet direct samen te hangen met de verhuizing of scheiding, maar met factoren zoals ouderlijk conflict en andere nare levensgebeurtenissen. De groep die een scheidingsgerelateerde verhuizing meemaakte, rapporteerde hogere niveaus van ouderlijk conflict, huiselijk geweld en andere negatieve levenservaringen. Dit wijst erop dat een scheidingsgerelateerde verhuizing op zichzelf niet per definitie samenhangt met negatieve langetermijngevolgen, maar vaak voorkomt in contexten met bijkomende risicofactoren. Daarnaast bevestigt de interviewstudie de contextafhankelijkheid van ervaringen. Factoren als leeftijd, gender en tijd sinds de verhuizing beïnvloeden de beleving hiervan. Tegelijk kwamen terugkerende thema’s naar voren: het belang van betrokkenheid bij besluitvorming, steunfiguren, aandacht voor veranderingen in sociale relaties, en de aanwezigheid van risicofactoren, zoals financiële problemen, een hoog ouderlijk conflictniveau en huiselijk geweld. De integrerende synthese laat zien dat het rechterlijk beoordelingskader en de geleefde ervaringen niet volledig op elkaar aansluiten. Verzoeken tot verhuizing worden vaak afgewezen, mogelijk vanuit aannames over het belang van het kind, terwijl empirisch geen steun bestaat voor negatieve langetermijneffecten van een scheidingsgerelateerde verhuizing. Voor kinderen lijken vooral ouderlijk conflict en andere belastende omstandigheden bepalend. De bevindingen benadrukken het belang van steunfiguren, aandacht voor sociale gevolgen en passende betrokkenheid van kinderen bij besluitvorming, evenals aandacht voor bepaalde risicofactoren. Aanbevolen wordt te komen tot één uniforme, wetenschappelijk gefundeerde lijst verhuiscriteria, waarin een balans wordt gevonden tussen consistentie en ruimte voor maatwerk met betrekking tot contextuele factoren.
Kostense promoveerde op 22 mei 2026 aan de VU. Promotor: prof. mr. dr. Machteld Vonk. Copromotoren: prof. dr. Veroni Eichelsheim en mr. dr. Geeske Ruitenberg.
Loran Kostense
Het perspectief van het kind in scheidingsgerelateerde verhuiszaken.
Een empirisch-juridisch onderzoek naar de aansluiting tussen ervaring en recht
Boom 2026, 260 p., €40
ISBN 978 90 4730 333 6