Artikelen van Redactie

Pro­gram­ma van re­flec­tie van de Af­de­ling be­stuurs­recht­spraak
<p>Het doel van het programma van reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak is te leren van het verleden, daaruit lessen te trekken en aanbevelingen te doen voor de toekomst. Dit alles om bij te dragen aan betere bestuursrechtspraak.<br /><br />De reflectie bestaat uit verschillende onderdelen: juridische reflectie en reflectie op organisatie van en werkwijzen bij de rechterlijke oordeelsvorming. Hiervoor worden tal van gesprekken gevoerd, intern en met externen.<br /><br /></p> <p><strong>Juridische reflectie<br /></strong><br />Belangrijk onderdeel van de reflectie is terugkijken om de vraag te kunnen beantwoorden hoe de Afdeling bestuursrechtspraak haar werk als hoogste bestuursrechter heeft vervuld in de kinderopvangtoeslagzaken. Daarbij wordt gekeken naar de gemaakte keuzen bij de toepassing en duiding van de relevante wetten en de redenen waarom die keuzen zijn gemaakt. Pasten die keuzen destijds in het stelsel van de wet? Wat wordt hierover gezegd in het rapport van de ondervragingscommissie en in de literatuur? Zouden nu dezelfde keuzen worden gemaakt? Verder de vraag waarom de Afdeling bestuursrechtspraak is omgegaan en waarom pas in oktober 2019. Wat zegt de motivering van de uitspraken uit oktober 2019 over de gemaakte keuzen bij de duiding van de wetgeving in de periode 2008-2011? Welke lessen trekt de Afdeling bestuursrechtspraak hieruit?<br /><br /></p> <p><strong>Andere zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak<br /><br /></strong>De reflectie gaat ook over andere zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Gekeken wordt naar andere soorten zaken binnen de competentie van de Afdeling bestuursrechtspraak waar burgers in de knel kunnen komen tussen de wielen van strenge wetgeving en strenge uitvoering. Hierbij is speciale aandacht voor wetten zonder ‘drukventielen’, zoals hardheidsclausules. Er wordt gebruikgemaakt van suggesties van advocaten, ombudsmannen, rechtbanken, wetenschappers en anderen. Daarnaast wordt voor sommige soorten zaken – ook aan de hand van te nemen conclusies door de staatsraad advocaat-generaal – bekeken hoe indringend de bestuursrechter bestuurlijke maatregelen moet toetsen. En wat daarbij de betekenis is van het evenredigheidsbeginsel. De lijnen in de rechtspraak van de afgelopen jaren worden bij de bevindingen betrokken.<br /><br /></p> <p><strong>Rechterlijke oordeelsvorming<br /></strong><br />Dit deel van de reflectie bestaat uit gesprekken over de wijze waarop de Afdeling bestuursrechtspraak de kinderopvangtoeslagzaken heeft behandeld en hoe de rechterlijke oordeelsvorming zich heeft ontwikkeld over de jaren. Wat is goed gegaan? Wat ging mogelijk verkeerd? Wat kan worden geleerd van de kritiek op de Afdeling bestuursrechtspraak? Dit gebeurt door gesprekken met personen binnen de organisatie (staatsraden en juristen) en met personen buiten de organisatie.<br /><br /></p> <p><strong>Rechtszekerheid en individuele rechtvaardigheid<br /></strong><br />Deel van de reflectie is ook het professionele gesprek over de spanning tussen rechtszekerheid (vaste lijnen in de rechtspraak) en individuele rechtvaardigheid, over de vraag of er voldoende mogelijkheden zijn om vaste lijnen ter discussie te stellen, over de cultuur van tegenspraak en hoe die tegenspraak te organiseren is tussen staatsraden en juristen, die werken aan duizenden zaken per jaar. Ook bij dit onderdeel wordt gebruikgemaakt van de kennis die hierover is bij andere organisaties en bij externe deskundigen.<br /><br /></p> <p><strong>In gesprek met anderen<br /></strong><br />Dit onderdeel van het programma bevat gesprekken met verschillende groepen personen, om te beginnen met de betrokken ouders. De Afdeling bestuursrechtspraak zou het zeer op prijs stellen als ouders hun ervaringen met de beroepsprocedure bij rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak zouden willen delen. Hierbij staat goed luisteren centraal. Ook zal worden gesproken met de gemachtigden van de ouders in kinderopvangtoeslagzaken. Daarbij staat de procedure centraal. Daarnaast vinden gesprekken plaats met rechtbanken, andere hoogste rechtscolleges en met andere organisaties, met procesgemachtigden, en met rechts- en andere wetenschappers.<br /><br /></p> <p><strong>Externe begeleidingscommissie</strong></p> <p>Het programma is omvangrijk en wordt uitgevoerd door een project-organisatie. Er is een onafhankelijke, externe begeleidingscommissie ingesteld. Deze commissie bestaat uit prof. dr. H. Kummeling (voorzitter; rector magnificus Universiteit van Utrecht) en de leden prof. mr. dr. A.R. Mackor (hoogleraar professie-ethiek, in het bijzonder van de juridische professies, Rijksuniversiteit Groningen), prof. mr. Y.E. Schuurmans (hoogleraar staats- en bestuursrecht Universiteit Leiden en co-acteur van het rapport ‘Bestuursrecht op maat’), mr. drs. R.R. Crince le Roy (advocaat in Rotterdam, voormalig deken in Rotterdam, lid van de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten) en mr. A. Stehouwer (gemeentelijk ombudsman Den Haag, voorheen senior raadsheer in de CRvB). De begeleidingscommissie adviseert over de inhoud van het reflectieprogramma (wat?), de reflectiemethoden (hoe?) en de daarbij te betrekken personen of groepen (wie?). Na vaststelling van het programma heeft de begeleidingscommissie tot taak het programma te begeleiden met raad en advies, zowel procedureel als inhoudelijk.<br /><br /></p> <p><strong>Opbrengst en duur<br /></strong><br />Aan het eind van het programma wordt verslag gedaan van het proces van reflectie en van de slotbevindingen, aanbevelingen en eventuele voorstellen tot implementatie van maatregelen. De begeleidingscommissie zal in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. De eindrapportage en de reactie van de commissie worden openbaar gemaakt.<br /><br />Het programma start in februari 2021 en kent een doorlooptijd van acht tot (maximaal) twaalf maanden. Het streven is een concept-eindrapportage op te leveren in oktober 2021 en het project af te ronden in november 2021.<br /><br /></p> <p><strong>Afbakening<br /></strong><br />Het programma van reflectie gaat over de taak, handelwijze en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het gaat om zaken waarin de Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd is te oordelen als hoogste algemene bestuursrechter, dus niet om zaken waarin andere rechters bevoegd zijn. De reflectie gaat niet over individuele dossiers in zaken die de Afdeling bestuursrechtspraak al heeft afgedaan. Zaken waarin de Afdeling bestuursrechtspraak al uitspraak heeft gedaan, worden niet heropend. De Afdeling bestuursrechtspraak wordt benaderd door personen en organisaties die wijzen op door hen ervaren onrecht op tal van terreinen, zoals het familie- en jeugdrecht, de jeugdzorg, de strafrechtspraak, het sociale zekerheidsrecht en de rechtspraak van rechtbanken en andere hoogste rechtscolleges. Dat zijn terreinen die buiten de competentie van de Afdeling bestuursrechtspraak liggen. Omdat het programma alleen betrekking heeft op de Afdeling bestuursrechtspraak kunnen deze signalen niet worden betrokken bij de reflectie.</p> <p> </p> <p> </p> <p>Bron: <a rel="noopener" href="https://www.raadvanstate.nl/kinderopvangtoeslag/programma-reflectie/" target="_blank">www.raadvanstate.nl</a></p>
23 februari 2021
KNAW-rapport over betekenis en grenzen van academische vrijheid
<p>Omdat het in de discussies van de laatste tijd niet altijd duidelijk is wat academische vrijheid nu precies betekent, heeft de KNAW het begrip verder uitgewerkt. Het op 17 februari verschenen <a rel="noopener" data-udi="umb://media/5750a4efaaf54b5d9821be20defffbe1" href="/media/4202/academische-vrijheid.pdf" target="_blank" title="Academische Vrijheid">rapport</a> Academische vrijheid in Nederland geeft een voorzet voor nadere discussie over het onderwerp.<br /><br />Voor wetenschappers betekent academische vrijheid dat ze in vrijheid hun wetenschappelijke onderzoek kunnen doen, hun bevindingen naar buiten kunnen brengen en onderwijs kunnen geven. Ze moeten bijvoorbeeld hun eigen onderzoeksthema’s kunnen kiezen, hun eigen onderzoeksvragen en methodes, en hun standpunten vrijelijk kunnen delen, ook als die nog voorlopig zijn.<br />Voor de academische vrijheid is vrijheid van meningsuiting een vereiste. Maar deze begrippen zijn niet aan elkaar gelijk. De academische vrijheid komt toe aan mensen in hun functie van wetenschapper. Vrijheid van meningsuiting komt toe aan alle burgers, ongeacht hun functie. De grenzen aan academische vrijheid worden verder bepaald door een aantal principes die voor alle wetenschappers gelden. Dat zijn voor onderzoekers eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Bij hun onderzoek moeten wetenschappers rekening houden met degenen die bij hun onderzoek betrokken zijn, en hun omgeving.<br /><br /></p> <p><strong>Universiteiten en overheid<br /></strong><br />Besturen van universiteiten hebben de verantwoordelijkheid om zich niet meer te mengen in onderzoek en onderwijs dan redelijk is. En ze moeten hun werknemers beschermen tegen druk van buitenaf. Ook de overheid moet zich verre houden van bemoeienis met inhoud en methodes van de wetenschap. Als opdrachtgever mag ze niet proberen de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek te beïnvloeden. Ook is het een taak van de overheid om de autonomie van wetenschappelijke instellingen te waarborgen.<br /><br />De Akademie wijst er opnieuw op dat er bij de financiering van onderzoek voldoende geld en ruimte moet zijn voor ongebonden onderzoek waarbij wetenschappers vrij zijn in de keuze van hun thema’s.<br /><br />Het rapport Academische vrijheid in Nederland is geschreven door de vaste KNAW-commissie Vrijheid van wetenschapsbeoefening. Voorzitter is Paul van der Heijden, emeritus hoogleraar internationaal arbeidsrecht aan de Universiteit Leiden.<br /><br />De KNAW presenteerde het rapport met een discussie over politiek en maatschappelijk engagement, en zal de komende tijd discussies organiseren over verschillende aspecten van academische vrijheid.</p>
23 februari 2021
EHRM: betere motivering van voorlopige hechtenis nodig in Nederland
<p><strong>Verlenging voorarresten onvoldoende gemotiveerd</strong></p> <p>Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in de zaken Hasselbaink (zaak 73329/16), Zohlandt (zaak 69491/16) en Maassen (zaak 10982/15) tegen Nederland. Alle drie de verdachten hadden voor meerdere maanden in voorlopige hechtenis gezeten, en in een zaak was de verdachte uiteindelijk volledig vrijgesproken.</p> <p>In strijd met artikel 5 lid 3 EVRM, hadden de strafrechters niet in hun schriftelijk besluiten toegelicht waarom de specifieke omstandigheden verlenging van het voorlopige hechtenis rechtvaardigden. De Nederlandse rechters verwezen in hun besluiten terug naar de eerste beslissing om voorlopige hechtenis op te leggen. Maar volgens het EHRM dient ook een verlengingsbeslissing voldoende gemotiveerd te worden aan de hand van relevante en actuele omstandigheden van het geval.</p> <p> </p> <p><a rel="noopener" href="http://hudoc.echr.coe.int/fre?i=001-207807" target="_blank" data-anchor="?i=001-207807">ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD001098215</a> (Maassen)</p> <p><a rel="noopener" href="http://hudoc.echr.coe.int/fre?i=001-208029" target="_blank" data-anchor="?i=001-208029">ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD006949116</a> (Zohlandt)</p> <p><a rel="noopener" href="http://hudoc.echr.coe.int/fre?i=001-208030" target="_blank" data-anchor="?i=001-208030">ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD007332916</a> (Hasselbaink)</p> <p> </p>
19 februari 2021
Deliveroo bezorgers hebben een arbeidsovereenkomst
<p>Deliveroo maakt bij de toedeling van de bezorging van maaltijden gebruik van een algoritme, genaamd Frank. Frank is een geavanceerd systeem en volgens Deliveroo cruciaal voor haar organisatie. Sinds maart 2020 kunnen bezorgers inloggen op diensten wanneer zij dat willen. Eenmaal ingelogd kunnen zij door Frank een bezorging aangeboden krijgen en bezorgers mogen dat aanbod weigeren. Een bezorger kan zich ook laten vervangen. De vrijheid die het systeem geeft en de vervangingsmogelijkheid zijn volgens het hof echter niet onverenigbaar met het bestaan van een arbeidsovereenkomst.</p> <p><strong>Gezagsrelatie</strong></p> <p><strong><em>Vrijheid werkzaamheden uit te voeren naar eigen goeddunken?</em></strong></p> <p>Deliveroo stelt dat tussen haar en de bezorgers geen gezagsrelatie aanwezig is en wijst erop dat het de bezorgers vrij staat de werkzaamheden uit te voeren op een wijze die hen goeddunkt, meer in het bijzonder dat zij de route mogen bepalen die zij willen rijden. In de gedingstukken wordt – onweersproken – melding gemaakt van een gemiddelde bezorgtijd van 32 minuten. In die tijd moet de bezorger van zijn vertreklocatie naar het restaurant rijden, wachten tot de maaltijd gereed is en de maaltijd dan naar het opgegeven adres brengen. Naar mag worden aangenomen zal de bezorger dan kiezen voor de snelste route, eventueel rekening houdend met een veilige fietsroute. De vrijheid van de bezorger om zelf de precieze route te bepalen is daarmee betrekkelijk, en duidt naar het oordeel van het hof niet op de afwezigheid (noch op de aanwezigheid) van een arbeidsovereenkomst.</p> <p><strong><em>Aanwijzingen?</em></strong></p> <p>De werkzaamheden, het ophalen en bezorgen van voedsel, zijn van dien aard, dat daarvoor weinig aanwijzingen nodig zijn. Dus de aard van de werkzaamheden brengt met zich dat de mate waarin aanwijzingen gegeven worden, op zich zelf niet veel zegt over de aan- dan wel afwezigheid van een arbeidsovereenkomst.</p> <p><strong><em>Kernactiviteit?</em></strong></p> <p>In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het al dan niet aanmerken van arbeid als gewone bedrijfsarbeid of kernactiviteit regelmatig aan de orde geweest, in die zin dat het verrichten van gewone bedrijfsarbeid duidt op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Deliveroo heeft betwist dat het bezorgen van maaltijden voor haar een kernactiviteit betreft. Zij stelt dat zij een IT-bedrijf is, en het bezorgen van maaltijden daarbij slechts van ondergeschikte betekenis is. Het hof kan Deliveroo hierin niet volgen. Op de website van Deliveroo staat een filmpje met de titel ‘Maaltijdbezorging is het hart van onze organisatie’ en verder dat de bezorgers het hart vormen van Deliveroo. In de door Deliveroo gehanteerde algemene voorwaarden staat: ‘Ons doel is om je te koppelen aan de restaurants waarmee wij samenwerken (Partner Restaurants) en om je de mogelijkheid te geven Items te bestellen voor bezorging (onze Dienst)’. De naam van Deliveroo duidt ook op het bezorgen van goederen. Deliveroo heeft niet weersproken dat de overgrote meerderheid van de personen die werkzaamheden voor haar verrichten, bezorgers zijn. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat de bezorging van maaltijden een kernactiviteit van Deliveroo is. Dat Deliveroo ook andere diensten levert doet daar niet aan af.</p> <p><strong><em>Contractvorm?</em></strong></p> <p>Deliveroo heeft niet alleen herhaaldelijk de contractsvorm op basis waarvan bezorgers hun werkzaamheden verrichten gewijzigd (eerst arbeidsovereenkomst, toen opdrachtovereenkomst, met later de keuze tussen Regular en Unlimited), maar ook de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd. Dat het Deliveroo is die de inhoud van de contracten en de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd steeds eenzijdig wijzigt, duidt er ook op dat Deliveroo gezag uitoefent over de bezorgers. In algemene zin is een arbeidsovereenkomst immers vaker een door de werkgever opgesteld adhesiecontract, wat door de werknemer al dan niet geaccepteerd kan worden, terwijl tussen opdrachtgever en opdrachtnemer eerder zal worden onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst.</p> <p><strong><em>Verwaarloosbare omvang?</em></strong></p> <p>Verder is niet gebleken dat de bezorgers die arbeid voor Deliveroo verrichten dit in een verwaarloosbare omvang doen. Hiermee is voldaan aan het criterium dat de arbeid gedurende zekere tijd dient te worden verricht. Ook dat duidt naast alle andere omstandigheden op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst.</p> <p><strong>Conclusie: arbeidsovereenkomst</strong></p> <p>Alle omstandigheden bij elkaar genomen constateert het hof dat slechts de aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid een omstandigheid is die eerder wijst op de afwezigheid dan op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Alle overige elementen, waaronder de wijze van loonbetaling, het uitgeoefende gezag, de zekere tijd (met rechtsvermoeden), alsmede de genoemde overige omstandigheden wijzen meer op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst dan op de afwezigheid daarvan. De aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid is bovendien niet onverenigbaar met de kwalificatie van de overeenkomst als arbeidsovereenkomst. Concluderend is het hof dan ook van oordeel dat de bezorgers van Deliveroo werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.</p> <p> </p> <p><a href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:392">ECLI:NL:GHAMS:2021:392</a></p>
19 februari 2021
Onderzoek doorstroomvennootschappen
<p>De commissie wordt gevraagd antwoord te vinden op vragen als hoeveel belasting doorstroomvennootschappen in Nederland afdragen en hoe dit in verhouding staat tot hun bijdrage aan de reële economie. Ook zal worden gekeken welke invloed nieuw recent ingevoerde maatregelen zoals de bronbelasting op renten en royalty’s en de aanscherpingen op de Wet toezicht trustkantoren hebben. De commissie is gevraagd welke fiscale en niet-fiscale beleidsopties er zijn om ongewenst gebruik van doorstroomvennootschappen te bestrijden. Doel is dat de voorstellen van de commissie kunnen worden meegenomen in de volgende kabinets­periode.</p> <p>De commissie bestaat uit externe experts en één interne expert van de Belastingdienst. Daarnaast gaat het om fiscalisten en niet-fiscalisten. In de commissie zitten naast Bernard ter Haar de volgende personen: Martin Bergwerff, Brigitte Unger, Pieter Moore, Francis Weyzig, Anja de Haan en Henk Vording.</p> <p> </p> <p>Bron: <a rel="noopener" href="https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/02/12/commissie-ingesteld-die-onderzoek-doet-naar-doorstroomvennootschappen" target="_blank">www.rijksoverheid.nl</a></p>
19 februari 2021
IRK ziet af van overlevering Poolse verdachte
<p>De IRK oordeelde al eerder en ook in deze zaak weer dat er in Polen sprake is van systemische gebreken in de rechtsorde, waardoor de Poolse wetgeving niet langer de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht waarborgt. In deze en één andere overleveringszaak stelde de IRK vorig jaar aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag of deze gebreken moeten leiden tot een automatische weigering van Poolse overleveringsverzoeken. Het Hof <a rel="noopener" href="https://www.njb.nl/nieuws/tenuitvoerlegging-eab-s-uit-polen-mag-niet-automatisch-worden-geweigerd/" target="_blank">beantwoordde</a> deze vraag afgelopen december afwijzend en oordeelde dat een overleveringsverzoek alleen mag worden geweigerd wanneer er in het individuele geval concrete en zwaarwegende redenen zijn om aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces zal worden geschonden.</p> <p><strong>Systemische gebreken in de Poolse rechtsorde</strong></p> <p>Op 27 januari 2021 kwam de IRK in de andere zaak waarin prejudiciële vragen waren gesteld al tot het oordeel dat het arrest van het Hof van Justitie geen aanleiding geeft om terug te komen op het oordeel dat er sprake is van systemische gebreken in de rechtsorde van Polen (<a rel="noopener" href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:179" target="_blank" data-anchor="?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:179">ECLI:NL:RBAMS:2021:179</a>). De rechtbank herhaalt deze overweging in de uitspraak van 10 februari. Net als in de uitspraak van 27 januari heeft de rechtbank vervolgens onderzocht of er concrete en zwaarwegende redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces zal worden geschonden. In de uitspraak van 27 januari werd deze vraag ontkennend beantwoord en werd de overlevering toegestaan. In de zaak van 10 februari komt de IRK tot het oordeel dat de Pool in kwestie dit gevaar wel loopt en dat daarom van overlevering moet worden afgezien.</p> <p>De rechtbank stelt onder meer vast dat in Polen een tuchtkamer is ingesteld en ook daadwerkelijk functioneert, alhoewel dit in strijd is met de interim maatregel van het Hof van Justitie, op grond waarvan het functioneren van die tuchtkamer zou moeten zijn opgeschort. Er zijn al met al drie, in Poolse wetgeving vastgelegde, mogelijkheden voor de uitvoerende en wetgevende macht om invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht in Polen  en deze hebben naar het oordeel van de rechtbank bezien in zijn totaliteit en onderlinge samenhang een onmiskenbaar “chilling effect” op Poolse rechters en dus op het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de zaak tegen de opgeëiste persoon. De rechtbank stelt in dat verband verder vast dat er nieuwe informatie voorhanden is waaruit blijkt dat ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden voor de uitvoerende en wetgevende macht om invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht in Polen, waardoor de druk op de rechterlijke macht in Polen toeneemt. In de rechtbank die zal gaan oordelen in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon is sprake van tuchtprocedures tegen ten minste twee rechters. Eén van deze twee rechters is de president van de rechtbank. </p> <p><strong>Bijzondere aandacht van de autoriteiten</strong></p> <p><span>De rechtbank stelt verder vast dat deze Pool van wie overlevering wordt gevraagd, in beeld is bij andere Poolse autoriteiten en bij de Poolse media, in verband met de publiciteit rondom zijn – naar het Hof van Justitie verwezen – zaak. Ook beschikt de rechtbank over een document ondertekend met de naam van de ‘</span><span class="emphasis">national prosecutor</span><span>’ in Polen, dat is gericht aan Poolse officieren van justitie waarin de naam van deze persoon alsook de aard van de verdenking tegen hem wordt vermeld en het zaaknummer van het onderzoek dat in Polen tegen hem loopt. Bovendien wordt in dit memo benoemd dat als gevolg van (de in) de zaak van de opgeëiste persoon (gestelde prejudiciële vragen) de uitvoering door Nederland van Poolse EAB’s in andere zaken is opgeschort. De zaak van de opgeëiste persoon heeft ook de aandacht getrokken van de media en de politiek in Polen</span><span>. Dit alles heeft tot gevolg dat de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden beschouwd als een willekeurige Poolse verdachte om wiens overlevering is verzocht, maar dat hij daarentegen in de bijzondere aandacht van de autoriteiten staat waardoor een gevaar bestaat dat het genoemde “</span><span class="emphasis">chilling effect</span><span>” concreet in zijn procedure zal doorwerken.</span></p> <p><span>De rechtbank acht daarbij voorts van belang dat door de zaak van de opgeëiste persoon, in het bijzonder de prejudiciële vragen die in zijn overleveringszaak zijn gesteld en die zien op de Poolse rechtsstaat, de gemoederen in Polen hoog zijn opgelopen. Daarbij komt dat een aantal door de rechtbank gestelde vragen niet, onvolledig dan wel niet helder zijn beantwoord door de Poolse uitvaardigende autoriteit.</span></p> <p>De IRK oordeelt dat door al deze factoren het gevaar bestaat dat de systemische gebreken daadwerkelijk in de procedure van de opgeëiste persoon zullen doorwerken. Daarom ziet de rechtbank in dit geval af van overlevering aan Polen.</p> <p> </p> <p>Bron: <a rel="noopener" href="https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Amsterdam/Nieuws/Paginas/IRK-ziet-af-van-overlevering-Poolse-verdachte.aspx" target="_blank">www.rechtspraak.nl</a></p> <p><a rel="noopener" href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:420" target="_blank" data-anchor="?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:420">ECLI:NL:RBAMS:2021:420</a></p>
19 februari 2021
Rechtbank Den Haag: avondklok per direct vervallen
<p>Voor het invoeren van de avondklok is gebruik gemaakt van een bijzondere wet, de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg). Die wet biedt het kabinet de mogelijkheid om in zeer spoedeisende en buitengewone omstandigheden een avondklok in te stellen, zonder dat daarvoor eerst een wetgevingstraject moet worden doorlopen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat bij de invoering van de avondklok geen sprake was van de bijzondere spoedeisendheid die nodig is om gebruik te kunnen maken van de Wbbbg. De Wbbbg is dus ingezet terwijl er geen sprake was van een situatie waarvoor de wet is bedoeld, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een dijkdoorbraak. Daarom is de inzet van deze wet om de avondklok in te stellen niet legitiem.</p> <p><strong>Feiten waar de voorzieningenrechter vanuit gaat</strong></p> <p>Na een op 21 januari 2021 gehouden spoeddebat in de Tweede Kamer heeft de meerderheid van de Kamer ingestemd met het voornemen van het kabinet tot het invoeren van een tijdelijke avondklok. Daarop is op grond van artikel 1 eerste lid van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) bij koninklijk besluit van 22 januari 2021 op voordracht van de Minister-President artikel 8 eerste en derde lid Wbbbg in werking getreden en gesteld. Op 22 januari 2021 heeft de minister van Justitie en Veiligheid met toepassing van artikel 8 lid 3 van de Wbbbg de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 (de Tijdelijke regeling) gepubliceerd. Daaruit blijkt dat de avondklok geldt met ingang van 23 januari 2021 dagelijks van 21.00 uur tot 4.30 uur tot en met 10 februari 2021.</p> <p>Zoals artikel 1 lid 2 van de Wbbbg vereist is op 2 februari 2021 een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gezonden (<em>Kamerstukken</em> 35 722, <em>NJB</em> 2021/543) omtrent het voortduren van de werking van de bij het koninklijk besluit in werking gestelde bepalingen (de Voortduringswet). Dit wetsvoorstel is op 11 februari 2021 door de Tweede Kamer aangenomen. Het was ten tijde van de zitting nog niet duidelijk wanneer de Eerste Kamer zich over het wetsontwerp zal buigen.</p> <p>Op 7 februari 2021 heeft het OMT een nieuw advies aan de regering uitgebracht. Daarin heeft het geadviseerd de avondklok te verlengen, omdat de Britse variant van het virus aan een opmars bezig is en het R-getal van de Britse variant hoger ligt dan dat van de oorspronkelijke variant. Dat betekent volgens het OMT dat de Britse variant besmettelijker is. De avondklok kan volgens het OMT een waardevolle aanvulling zijn op de overige reeds geldende maatregelen. Nadat in de Tweede Kamer over een verlenging van de avondklokmaatregel een spoeddebat is gevoerd bleek voor verlenging een Kamer meerderheid te bestaan. Vervolgens is door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van de Wbbbg verlenging aangekondigd van de avondklokmaatregel tot en met 3 maart 2021 om 04.30 uur.</p> <p><strong>Vordering Viruswaarheid</strong></p> <p>Viruswaarheid c.s. vorderen de Staat te gelasten het koninklijk besluit en de daarmee verbonden Tijdelijke regeling buiten werking te stellen. Zij voeren daartoe aan dat de Staat met invoering van de avondklok via de weg van de Wbbbg onrechtmatig handelt. Volgens Viruswaarheid c.s. is geen sprake van een uitzonderlijke en spoedeisende noodsituatie die voorwaarde is voor gebruik van de Wbbbg. Bovendien behelst de avondklok een vergaande inperking van grondrechten van burgers. Die grondrechten zijn verankerd in de Grondwet en internationale verdragen en kunnen niet zo maar terzijde worden geschoven. De redenen die de Staat aanvoert voor het treffen van een vergaande maatregel als een avondklok zijn onvoldoende en die maatregel is strijdig met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarom dient de Staat per omgaande voor beëindiging van de avondklok zorg te dragen, aldus Viruswaarheid c.s..</p> <p><strong>Beoordeling Wbbg</strong></p> <p>De Wbbbg biedt de regering de mogelijkheid om in spoedeisende en buitengewone omstandigheden een avondklok in te stellen, zonder dat daarvoor eerst een wetgevingstraject moet worden doorlopen. De Wbbbg biedt zelfstandig de mogelijkheid om buiten de uitzonderingstoestand van artikel 103, eerste lid van de Grondwet, een of meer artikelen van de in de Wbbbg genoemde noodbevoegdheden te activeren. Wel moet duidelijk zijn dat er sprake is van buitengewone omstandigheden die ingrijpen met spoed noodzakelijk maken, zoals de Staat ter zitting ook heeft erkend. Dat impliceert dus dat de noodzaak voor een met spoed in te voeren verstrekkende maatregel, die een beperking van elementaire grondrechten inhoudt, evident aanwezig moet zijn en dat andere middelen ter afwending van het aanwezige gevaar voor openbare orde en veiligheid niet (langer) volstaan.</p> <p>De Staat stelt dat inwerkingstelling van de Wbbbg en de daaruit voortvloeiende instelling van de avondklok noodzakelijk was (en is) voor de veiligheid en gezondheid van de burgers. Hij heeft daarbij verwezen naar een advies van het OMT van 20 januari 2021.</p> <p>De voorzieningenrechter gaat – net als de Staat – uit van het bestaan van een pandemie, waarbij sprake is van (muterend) virus, met een substantieel aantal besmettingen in Nederland tot gevolg, leidend tot een in hoogte wisselend aantal IC- en ziekenhuis opnames, en een forse belasting van de zorg. Viruswaarheid c.s. hebben er terecht op gewezen dat het aantal besmettingen fluctueert en momenteel minder hoog is dan tijdens een eerdere piek, de meeste slachtoffers vallen onder kwetsbare ouderen en positieve PCR-testen niet synoniem zijn voor evenzovele zieken. Dat laat echter onverlet dat de Staat voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een situatie die grote zorgen baart en noopt tot moeilijke keuzes. Uitgaande van het bestaan van een pandemie is het in beginsel aan de Staat om al die maatregelen te treffen die hij noodzakelijk acht in het belang van de bestrijding van de pandemie in het licht van de volksgezondheid. Volgens vaste jurisprudentie komt de Staat daarbij een grote mate van beleidsvrijheid toe. Wel is het van belang dat de Staat bij het vaststellen van uit te vaardigen maatregelen steeds proportionaliteit en subsidiariteit in het oog houdt en zorgt voor de nodige legitimiteit.</p> <p>In dit geval gaat het om een vergaande beperking van de bewegingsvrijheid van burgers, die noopt tot een zeer zorgvuldig besluitvormingsproces. Door het kabinet is gekozen voor toepassing van de Wbbbg, waardoor zonder voorafgaande instemming van de Eerste en Tweede Kamer met onmiddellijke ingang tot invoering van de avondklok kon worden overgegaan middels een ministeriële regeling. De Staat heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat voor die weg is gekozen in verband met de spoedeisendheid van de situatie. Voorts heeft hij erop gewezen dat voorafgaand aan het activeren van de Wbbbg nog wel een spoeddebat in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden, waarbij is gebleken dat voor invoering van de avondklok een meerderheid in de Tweede Kamer bestaat.</p> <p><strong>Inzet Wbbbg niet legitiem</strong></p> <p>De voorzieningenrechter is echter, met Viruswaarheid c.s., van oordeel dat een zwaarwegende maatregel als een avondklok onder de gegeven omstandigheden niet via de weg van de Wbbbg en de daaruit volgende ministeriële regeling had mogen worden ingevoerd. De gestelde ‘superspoed’ als rechtvaardiging om een normaal (spoed)wetgevingstraject niet af te kunnen wachten, is naar voorlopig oordeel onvoldoende onderbouwd. Dat blijkt al uit het feit dat er vóór de invoering van de avondklok al vaker over de mogelijkheid van een avondklok was gesproken en die in ieder geval al ruim voor de daadwerkelijke invoering ervan als een van vele mogelijke opties naar voren is gekomen. Reeds dat maakt duidelijk dat niet aan de bijzondere eisen voor activering van de Wbbbg is voldaan. Die wet is immers slechts bedoeld voor situaties die letterlijk geen enkel uitstel kunnen dulden, omdat sprake is van een acute noodsituatie. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een onverwachte dijkdoorbraak. Nu de Wbbbg in dit geval is ingezet terwijl er geen sprake was van een zodanige situatie, is de inzet van de Wbbbg en de daaruit voortvloeiende ministeriële regeling naar voorlopig oordeel niet legitiem.</p> <p>Weliswaar heeft er voorafgaand aan de inwerkingstelling van artikel 8 Wbbbg een spoeddebat in de Tweede Kamer plaatsgevonden, maar het feit dat daarvoor ruimte bestond maakt duidelijk dat van een daadwerkelijke spoedsituatie als bedoeld in de Wbbbg in dit geval geen sprake was. Het vooraf horen van de Kamer past immers niet bij het systeem van de Wbbbg, waarin nu juist bevoegdheden zijn opgenomen die zónder voorafgaande parlementaire goedkeuring, wegens uiterst acute situaties, direct kunnen worden gebruikt. Ook de afdeling advisering van de Raad van State heeft er in zijn advies van 1 februari 2021 naar aanleiding van het wetsvoorstel Voortduringswet op gewezen dat het vooraf betrekken van de Tweede Kamer middels een spoeddebat niet rijmt met de gestelde urgentie en dat onduidelijk is waarom in dit geval is gekozen voor de Wbbbg, in plaats van een mogelijke route via aanpassing van de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19.</p> <p>Dat op dit moment het voorstel van wet inzake het voortduren van de werking van artikel 8, eerste en derde lid Wbbbg aanhangig is, maakt niet dat de onjuiste keuze voor de Wbbbg daarmee achteraf kan worden gerechtvaardigd. Dat wetsontwerp strekt er slechts toe uitvoering te geven aan de wettelijke verplichting van artikel 1 lid 2 Wbbbg om achteraf, na vaststelling van het (spoed)koninklijk besluit tot inwerkingstelling van bepaalde artikelen van de Wbbbg, onverwijld een voorstel van wet te sturen aan het parlement omtrent het voortduren van de werking van de in werking gestelde bepalingen. Indien de Eerste of Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwerpt heeft dat overigens wel tot gevolg dat op grond van artikel 1, derde lid Wbbbg bij koninklijk besluit de betreffende bepalingen onverwijld buiten werking worden gesteld. Vooralsnog heeft de stemming over de Voortduringswet in de Eerste Kamer echter nog niet plaats gevonden, terwijl de avondklok inmiddels al enige tijd duurt. Bovendien kan een eventuele goedkeuring van de Voortduringswet door de Staten-Generaal er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet toe leiden dat de keuze voor inzet van de Wbbbg alsnog wordt gelegitimeerd. Ook dan kan de Wbbbg onder de gegeven omstandigheden geen goede juridische basis vormen voor voortzetting van de avondklok.</p> <p>Voor zover de Staat zich op het standpunt stelt dat hij door invoering van de avondklok via de Wbbbg wil voorkomen dat de situatie verslechtert, omdat er mogelijk op niet al te lange termijn een noodsituatie kán gaan ontstaan, kan hem dat niet baten. Een verstrekkende maatregel op basis van een noodwet mag slechts gegeven worden als zich daadwerkelijk een acute noodsituatie voordoet, die bovendien niet met andere minder vergaande middelen is op te lossen. Terecht hebben Viruswaarheid c.s. in dat kader naar voren gebracht dat een avondklok via een noodwet in redelijkheid niet kan worden ingezet om ‘het gevoel van urgentie’ onder de bevolking te vergroten. Ook de stelling dat de avondklok waarschijnlijk een ‘zinvolle bijdrage’ kan leveren aan het terugdringen van het virus is apert onvoldoende voor het activeren van de noodbevoegdheden van de Wbbbg.</p> <p><strong>Onmiddellijk vervallen avondklok</strong></p> <p>De conclusie van de voorzieningenrechter is dan ook dat de Wbbbg ten onrechte is geactiveerd en dat artikel 8 eerste en derde lid Wbbbg daarom onmiddellijk buiten werking moeten worden gesteld. Dat brengt met zich dat de daarmee verbonden Tijdelijke regeling komt te vervallen.</p> <p><strong>Spoedappel</strong></p> <p>De Nederlandse staat heeft een spoedappel ingesteld bij het gerechtshof Den Haag tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin beslist is dat de avondklok moet vervallen. Dit was gevorderd door Stichting Viruswaarheid.nl.</p> <p>De Staat heeft aan het gerechtshof gevraagd om de uitspraak van de voorzieningenrechter te schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak in hoger beroep. Dat wil zeggen dat de Staat wil dat de avondklok gehandhaafd blijft totdat het Haagse gerechtshof een definitieve beslissing neemt over de vraag of de avondklok buiten werking gesteld moet worden. Dat heeft het hof <a rel="noopener" href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:252" target="_blank" data-anchor="?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:252">toegewezen</a>. </p> <p>Het spoedappel wordt vandaag (19 februari) behandeld.</p>
16 februari 2021
Commissie Letschert: Strafrechtketen, sla handen ineen voor ferme stap vooruit!
<p>Minister van Justitie en Veiligheid mr F.B.J. (Ferd) Grapperhaus en minister voor Rechtsbescherming drs S. (Sander) Dekker stuurden het advies van de commissie op 11 februari 2021 met hun <a rel="noopener" data-udi="umb://media/facf42c0b9434393a10fa579e4694f1b" href="/media/4185/tkplusbeleidsreactieplusministersplusvanplusjustitieplusenplusveiligheidplusadviespluscommissieplusletschert.pdf" target="_blank" title="TK+Beleidsreactie+Ministers+Van+Justitie+En+Veiligheid+Advies+Commissie+Letschert">beleidsreactie</a> naar de Tweede Kamer. Van het <a rel="noopener" data-udi="umb://media/6657916019cd47ae814c29c449fa511f" href="/media/4186/tkplusbijlageplusadviesplusvanplusdepluscommissieplusimplementatieplusnieuwpluswetboekplusvanplusstrafvordering-1.pdf" target="_blank" title="TK+Bijlage+Advies+Van+De+Commissie+Implementatie+Nieuw+Wetboek+Van+Strafvordering (1)">adviesrapport</a> van de commissie onder voorzitterschap van prof. dr. R.M. (Rianne) Letschert (verder: commissie Letschert) maken ook de implementatiestrategie en de <a rel="noopener" data-udi="umb://media/47641aeaced14ffd9e73819f3853b5dc" href="/media/4189/tkplusbijlagepluseindrapportageplusimplementatiekosten.pdf" target="_blank" title="TK+Bijlage+Eindrapportage+Implementatiekosten">rapportage implementatiekosten</a> deel uit.</p> <p>De bewindslieden noemen deze stukken en het advies van de commissie in hun reactie ‘grondig en uitvoerig. De commissie is er overtuigend in geslaagd om in haar werk zowel inzicht te bieden in de inspanningen, kosten en voorwaarden, als te wijzen op de risico’s en onzekerheden die gepaard gaan met deze’, zoals de commissie formuleert, ‘historische operatie’.</p> <p><strong>Aanbevelingen van de commissie</strong></p> <p>De commissie Letschert ziet dat er ‘veel commitment in de keten is om het nieuwe wetboek te realiseren, maar dat snel een nieuwe zichtbare stap nodig is. Urgent is dan ook een impuls in het wetgevingsproces’. Door wind in de zeilen te houden van dit onvermijdelijk langdurige veranderingsproces kun je ‘verlies van focus en urgentie’ voorkomen. De commissie dringt er daarom onder andere op aan het wetboek zo snel mogelijk voor advisering voor te leggen aan de Raad van State, bij uitzondering zonder financiële paragraaf.</p> <p>In haar eindrapport gaat de commissie Letschert ook uitgebreid in op betekenis en belang van het nieuwe wetboek. In de kern van de zaak moet het Wetboek van Strafvordering bevorderen dat de strafwet wordt toegepast op de werkelijk schuldige en vervolging en veroordeling van niet schuldige mensen voorkomen. Het wetboek is dan ook ‘geen luxeartikel’, schrijft de commissie in haar advies. Het waarborgt grond- en mensenrechten van iedereen die onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek. <span>Het verouderde wetboek uit 1926 is inmiddels een lappendeken en dringend toe aan groot onderhoud en vernieuwing.</span></p> <p>Een <a rel="noopener" data-udi="umb://media/5822118105c34e7f9274a044ad5fa887" href="/media/4187/factsheetpluscommissieplusimplementatieplusnieuwpluswetboekplusvanplusstrafvordering.pdf" target="_blank" title="Factsheet+Commissie+Implementatie+Nieuw+Wetboek+Van+Strafvordering">factsheet</a> van de commissie op de website rijksoverheid.nl gaat nader in op het hoe en waarom van modernisering van het nieuwe wetboek.</p> <p>De commissie Letschert adviseert een big bang-scenario voor invoering van het wetboek en een zo kort en eenvoudig mogelijke overgangsperiode als uitgangspunten van de <a rel="noopener" data-udi="umb://media/f868e0c0348846fd8fa134da49887584" href="/media/4188/tkplusbijlagepluseindrapportageplusplusimplementatiestrategie.pdf" target="_blank" title="TK+Bijlage+Eindrapportage++Implementatiestrategie">implementatiestrategie</a>. Dat beperkt overgangsproblemen. De onderlinge samenhang van het wetboek maakt het niet mogelijk het in onderdelen in te voeren.</p> <p>Het nieuwe wetboek biedt, zoals gezegd, kansen voor versterking van de kwaliteit en doelmatigheid van de strafrechtpleging en voor verkorting van doorlooptijden. Om die kansen optimaal te benutten roept de commissie de ketenpartners op hierin samen te investeren en daarmee alvast te beginnen in de aanloop naar de invoering van het wetboek.</p> <p>De commissie Letschert ziet een aantal harde voorwaarden voor het verzilveren van de kansen in het wetboek en voor het welslagen van de invoering ervan, waaronder vooral:</p> <ul> <li>Een slagvaardige bestuursstructuur waarin de strafrechtketen een sturende en besluitvormende rol krijgt en die ook bewerkstelligt dat genomen besluiten op ketenniveau daadwerkelijk uitgevoerd worden in de verschillende schakels van de keten. De commissie meent dat je binnen deze structuur ook goed vorm kunt geven aan de eigenstandige en onafhankelijke positie van de rechtspraak;</li> <li>Een departement dat in deze structuur zijn volle verantwoordelijkheid neemt voor het stelsel van de keten en voor een succesvolle invoering van het wetboek met een stevige, stimulerende, faciliterende en aanjagende rol;</li> <li>Een ketenbrede implementatiestrategie voor invoering van het nieuwe wetboek, gebaseerd op verregaande ketensamenwerking en afstemming in alle lagen van de keten;</li> <li>Een meerjarig gezamenlijk implementatieplan dat alle implementatieplannen van de afzonderlijke organisaties omvat en dat daarnaast verbindt en sturing mogelijk maakt;</li> <li>Een meerjarige integrale uitvoeringsplanning voor de introductie van alle voor de strafrechtketen relevante nieuwe beleid en wetgeving die ook rekening houdt met de noodzakelijke opleidingstrajecten, ICT-aanpassingen en capaciteit daarvoor en de beschikbare financiële middelen;</li> <li>Investeren in samenwerkingsverbanden voor opleidingen. Slim gebruikmaken van digitale leermethodes en leren vanuit de werkvloer. Inbedden van opleidingen voor het nieuwe wetboek in een meerjarige programmering, waarbij de opleidingen voor het nieuwe wetboek niet te ver voor invoering ervan moeten plaatsvinden. Opleidingen voor het nieuwe wetboek als logische invulling zien van de reguliere opleidingsverplichtingen en die waar mogelijk faciliteren;</li> <li>Gereedmaken van de digitale infrastructuur in de strafrechtketen voor invoering van het wetboek: ‘Grootscheeps langdurig verbouwen, de winkel openhouden én een optimaliseringsslag vergen ook dat de organisaties de basis – vooral op digitaal gebied – op orde hebben en de implementatie samenhangend en ketenbreed wordt aangepakt’.</li> </ul> <p>De commissie Letschert meent dat de ketensamenwerking ‘een krachtige impuls’ krijgt door ‘gezamenlijk een samenhangende meerjarige implementatieplanning voor het wetboek op te stellen en ook een meerjarig uitvoeringsplan voor alle grote trajecten te ontwerpen’. De integrale uitvoeringsplanning moet voorkomen dat de keten wordt overvraagd. Om dezelfde reden adviseert de commissie rondom het invoeringsjaar van het wetboek niet of nauwelijks andere vernieuwingen door te voeren.</p> <h4>Over middelen voor invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering</h4> <p>De commissie Letschert raamt de totale bandbreedte van invoeringskosten op 366 tot 458 miljoen euro, te verdelen over een periode van enkele jaren. Dit bedrag is nodig voor onder andere opleiding van ongeveer 60.000 medewerkers, aanpassing van werkprocessen, nieuwe formulieren en systemen.</p> <p>Ziet naast de Raad voor de Kinderbescherming en de Koninklijke Marechaussee ook de politie kans de invoering van het nieuwe wetboek op te vangen binnen de bestaande opleidingsruimte dan zou dit in totaal 74 tot 98 miljoen euro kunnen schelen in de uitgaven en resulteren in een netto implementatielast met een bandbreedte van 292 tot 360 miljoen euro.</p> <p>De bulk van de uitgaven voorziet de commissie in de twee jaren voor invoering en het jaar hierna. Ga je hiervan uit en van de bovenkant van de bandbreedte dan kan de verdeling van uitgaven voor invoering van het wetboek min of meer als volgt zijn.</p> <div class="scrollcontainer"> <table border="0" width="540" height="258"><caption>Financiële consequenties (in miljoenen €)</caption> <tbody> <tr> <td>2022</td> <td>20</td> </tr> <tr> <td>2023</td> <td>45</td> </tr> <tr> <td>2024</td> <td>48</td> </tr> <tr> <td>2025</td> <td>115</td> </tr> <tr> <td>2026</td> <td>115</td> </tr> <tr> <td>2027</td> <td>115</td> </tr> <tr> <td>Structureel</td> <td>0</td> </tr> </tbody> </table> </div> <p>De commissie wijst erop dat voor een goed werkend stelsel de ‘checks and balances’ in orde moeten zijn. Hiervoor moet de advocatuur in staat zijn om de intensievere en actievere rol die het nieuwe wetboek voorziet voor de advocaat, in het bijzonder in de ‘beweging naar voren’, adequaat te vervullen. Omdat een belangrijk deel van de verdachten afhankelijk is van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand zullen de daarin geboden vergoedingen moeten worden toegesneden op de nieuwe taken van de advocatuur in het strafrecht.</p> <p>De commissie adviseert daarom bij de herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand rekening te houden met de doorwerking van het nieuwe wetboek op de rol van de advocatuur. In aansluiting op dit advies en op verzoek van de Nederlandse Orde van Advocaten laten de bewindslieden inmiddels de effecten onderzoeken van invoering van het nieuwe wetboek op het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.</p> <p>Minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus stelde op 23 september 2019 de externe Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering in. De commissie kreeg als opdracht mee de inspanningen en kosten in kaart te brengen van invoering van het gemoderniseerde wetboek. Ook gaf de minister aan de commissie opdracht bij te dragen aan het voor het voetlicht brengen van het maatschappelijk belang van het nieuwe wetboek. Van de commissie maken, naast voorzitter Letschert, prof. dr. M.F.H. (Marianne) Hirsch Ballin, drs A.H.M. (André) de Jong en drs K. (Korrie) Louwes deel uit.</p> <p> </p> <p>Bron: <a rel="noopener" href="https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/02/11/commissie-letschert-strafrechtketen-sla-handen-ineen-voor-ferme-stap-vooruit" target="_blank">www.rijksoverheid.nl</a></p>
12 februari 2021
Meer grip op risicoprofielen en voorspellende systemen bij de overheid
<p>De (lokale) overheid en uitvoeringsinstanties investeren steeds meer in de ontwikkeling van digitalisering om problemen op te lossen, vragen te beantwoorden en voorspellingen te doen. Om snel, efficiënt en consistent besluiten te nemen over burgers maken overheden gebruik van geautomatiseerde systemen voor bijvoorbeeld het toekennen van huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag en voorspellen van sociale zekerheidsfraude.</p> <p>Grote incidenten als etnisch profileren door de Belastingdienst en ingrijpende controles op bijstandsfraude door verschillende gemeenten illustreren de risico’s bij (semi-)geautomatiseerde besluitvorming. Door fouten in data en algoritmes kunnen groepen burgers onterecht als fraudeur worden aangemerkt. Bovendien wordt het in de praktijk moeilijker om een besluit aan te vechten, want burgers ontvangen niet altijd de achterliggende - digitale – informatie.</p> <p><strong>Uitgangspunten voor (semi-)geautomatiseerde besluitvorming</strong></p> <p>Om de rechten van burgers te beschermen heeft het College voor de Rechten van de Mens voor ambtenaren drie uitgangspunten voor een verantwoorde ontwikkeling en toepassing van (semi-)geautomatiseerde besluitvorming opgesteld:</p> <p><em>1) Breng in kaart wat de impact is van (semi-)automatische besluiten op de mensenrechten</em></p> <p>Voer een mensenrechtentoets uit bij het ontwerp van algoritmes voor besluitvorming, maar ook bij de aanbesteding en tijdens het gebruik van dergelijke systemen. Deze toets voorkomt dat een besluit leidt tot mensenrechtenschendingen.</p> <p><em>2) Informeer burgers op een toegankelijke manier hoe (semi-)automatische besluiten tot stand komen</em></p> <p>Wees transparant over het gebruik van data en algoritmes, zodat voor burgers duidelijk is hoe deze processen bijdragen aan een besluit. Deel ook toegankelijke informatie, zodat het besluit getoetst en in een bezwaar- of beroepsprocedure toegelicht kan worden. Zo krijgen zij reële rechtsbescherming.</p> <p><em>3) Vergroot kennis over (semi-)automatische besluiten in de organisatie</em></p> <p>Zorg dat er voldoende programmeurs, data-analisten en juristen met kennis van digitale besluitvorming betrokken zijn in de organisatie. Mensen die de werking van data en algoritmes begrijpen, onjuiste data in het systeem kunnen corrigeren én een besluit op inhoud kunnen beoordelen.</p> <p><strong>Onderzoek naar algoritmes en besluitvorming bij gemeenten</strong></p> <p>Uit vorige week verschenen onderzoek van de NOS en regionale omroepen blijkt dat zeker 25 gemeenten gebruikmaken van voorspellende systemen. Het College voert op dit moment in samenwerking met Hooghiemstra &amp; Partners een kwalitatief onderzoek uit naar (semi-)geautomatiseerde besluitvorming bij gemeenten. In dit onderzoek wordt bekeken of er aandacht is voor de mensenrechtelijke aspecten en of er bijzondere voorzieningen zijn getroffen voor rechtsbescherming. Het doel is om inzicht te bieden in het gebruik van algoritmes bij besluiten over burgers en aanbevelingen te formuleren voor rechtsbescherming. De resultaten worden in mei gepubliceerd.</p> <p>Bij het gebruik van (semi-)geautomatiseerde besluitvorming is het van belang dat ambtenaren en burgers op de hoogte zijn van de mogelijke gevolgen bij het verzamelen, opslaan en delen van persoonsgegevens, werking van data en algoritmes bij besluitvorming, en procedures en instanties voor het aanwenden van een rechtsmiddel.</p> <p> </p> <p>Bron: <a rel="noopener" href="https://mensenrechten.nl/nl/nieuws/meer-grip-op-risicoprofielen-en-voorspellende-systemen-bij-de-overheid" target="_blank">www.mensenrechten.nl</a></p> <p> </p>
12 februari 2021
Commissie onderzoek dossier J.A. Poch brengt rapport uit
<p>Op 1 februari 2021 heeft de Commissie onderzoek dossier J.A. Poch haar rapport met bevindingen aangeboden aan Minister Grapperhaus van JenV. Bij brief van dezelfde datum heeft de minister gereageerd op het rapport en het doorgestuurd aan de Tweede Kamer. </p> <p>De Commissie onderzoek dossier J.A. Poch die op 18 december 2019 door de minister was ingesteld heeft tot taak gekregen onderzoek te verrichten met het oog op de beantwoording van in ieder geval de volgende vragen: <br />a. welke bemoeienis hebben blijkens het dossier achtereenvolgende ministers van Justitie gehad met het onderzoek naar en de vervolging van de heer Poch; zijn in het licht daarvan in het dossier aanwijzingen te vinden voor de in de media opgeworpen suggestie dat de Minister van Justitie een aanwijzing zou hebben gegeven met betrekking tot of zich anderszins heeft bemoeid met het verloop van het politieonderzoek in de zaak Poch? <br />b. welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij het innemen van het standpunt dat eventuele vervolging van de heer Poch in Argentinië meer in de rede lag dan een vervolging in Nederland; zijn in het dossier aanwijzingen te vinden voor de in de media opgeworpen suggesties daaromtrent? <br />c. welke overwegingen hebben gespeeld bij de diverse beslissingen en gedragingen van de Nederlandse autoriteiten met betrekking tot contacten die hebben plaatsgevonden tussen de justitiële autoriteiten van Nederland en andere landen zoals Argentinië over mogelijke vormen van rechtshulp en de handelingen die op basis daarvan zijn verricht?</p> <p><strong>Samenvatting van de beantwoording van de onderzoeksvragen</strong></p> <ul> <li>Minister van Justitie Hirsch Ballin heeft geen ministeriële aanwijzing verstrekt met betrekking tot de zaak Poch. De minister heeft evenmin persoonlijke opdrachten verstrekt die de uitvoering van het onderzoek naar Poch raakten. Wel heeft de minister vanuit zijn ministeriële verantwoordelijkheid, na het verschijnen van het artikel in Vrij Nederland en de daaropvolgende Kamervragen, aangegeven dat hij ‘de vinger aan de pols wilde houden’. Dit heeft zich vertaald in een ambtsbericht van het College van Procureurs-Generaal van 6 februari 2008 over de voortgang van het oriënterend onderzoek en de start van het tactisch onderzoek. Verder is de minister betrokken geweest bij de besluitvorming tot medewerking aan de aanhouding van Poch in het buitenland, door het verlenen van toestemming om de vluchtgegevens van Poch te delen met Argentinië en Spanje.</li> <li>Het standpunt dat een eventuele vervolging van Poch beter in Argentinië kon plaatsvinden berustte op een aantal overwegingen:</li> </ul> <p style="padding-left: 40px;">- Het delict waarvan Poch werd verdacht had zich afgespeeld in Argentinië. Nederland vindt principieel dat vervolging bij voorkeur moet plaatsvinden in het land waar het delict is gepleegd. Daar bevinden zich de (nabestaanden van de) slachtoffers en bevindt zich redelijkerwijs ook het bewijsmateriaal.</p> <p style="padding-left: 40px;">- De juridische mogelijkheden tot een vervolging van Nederland waren - los van praktische problemen met bewijsvergaring - beperkt. Dat kwam ook omdat in Nederland inmiddels het vervolgingsrecht voor allerlei feiten met betrekking tot de dodenvluchten verjaard was. In Argentinië kon Poch nog worden vervolgd voor het gehele feitencomplex met betrekking tot de dodenvluchten. Deze overwegingen komen overeen met hetgeen de minister van Justitie reeds op 4 november 2009 de Tweede Kamer heeft gemeld. De commissie heeft in haar onderzoek geen enkele indicatie aangetroffen dat ook andere overwegingen een rol hebben gespeeld.</p> <p style="padding-left: 40px;">- Argentinië gaf aan dat het bij voorkeur de vervolging van Poch zelf ter hand nam en deed daartoe rechtshulpverzoeken aan Nederland waaraan Nederland zich gehouden voelde medewerking te verlenen.</p> <ul> <li>Minister van Justitie Hirsch Ballin werd met de val van het kabinet Balkenende IV op 20 februari 2010 demissionair tot het aantreden van het nieuwe kabinet Rutte I op 14 oktober 2010. Buiten hetgeen de commissie heeft vermeld in haar reconstructie heeft minister Hirsch Ballin geen (verdere) bemoeienis gehad met de zaak Poch.</li> <li>Zijn opvolgers hebben geen rechtstreekse bemoeienis met het dossier Poch gehad. Wel hebben zij in de loop der tijd vanuit hun functie geantwoord op vragen over het dossier Poch vanuit de Tweede Kamer; en uiteraard is daar de instelling van de onderhavige commissie door (inmiddels demissionair) minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus.</li> <li>De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat Nederland, zoals wel beweerd, ‘per se’ Poch in Argentinië wilde laten berechten.</li> <li>Hetzelfde geldt voor beweringen van een mogelijke afruil van Poch tegen de belofte van de Argentijnse autoriteiten van het niet vervolgen in Argentinië van Jorge Zorreguieta.</li> <li>De Nederlandse staat heeft niet teweeg gebracht dat Poch is afgeweken van wat hij van plan was te doen, te weten het volgens schema uitvoeren van een vlucht voor Transavia naar Valencia. Van een verkapte uitlevering was dus geen sprake.</li> <li>Anders dan de vermelde interventiepoging via Eurojust heeft de commissie geen aanwijzingen gevonden voor een rol van het Koninklijk Huis bij het onderzoek.</li> <li>De complicaties bij het onderzoek naar Poch zijn voor een gedeelte inherent aan onderzoeken naar internationale misdrijven: de feiten zijn niet in Nederland begaan en het primaire bewijsmateriaal ligt buiten Nederland. De verklaringen over wat er tijdens het diner in Bali was gezegd zijn zonder aanvullend bewijsmateriaal onvoldoende om tot enige bewezenverklaring te komen, maar waren wel voldoende om Poch als verdachte aan te merken.</li> <li>Daarbij deed zich de omstandigheid voor dat Argentinië met vergelijkbare zaken bezig was in het kader van het zogenaamde ESMA-onderzoek. Dit gebeurde in het kader van een afrekening met het verleden van de Vuile Oorlog. In Argentinië waren de strafbare feiten rond de dodenvluchten nog niet verjaard.</li> <li>Tot slot was een complicatie dat men de verdachte in redelijkheid niet kon vragen naar zijn verhaal. Als hij inderdaad betrokken zou zijn geweest bij de dodenvluchten, zou hij dan gewaarschuwd zijn en zijn plan kunnen trekken. Bovendien dreigde het gevaar dat eventueel bewijsmateriaal zou verdwijnen. In dit geval was bovendien reeds bekend dat Poch na daar op te zijn aangesproken door Transavia, zijn betrokkenheid bij de dodenvluchten had ontkend en had gezegd verkeerd te zijn begrepen.</li> </ul> <p>De commissie beantwoordt in haar rapport nog een groot aantal andere vragen en constateert verder onder andere dat bij het merendeel van de bij dit onderzoek betrokken instanties zich problemen voordoen op het gebied van archivering. </p> <p><em>Lees hier het hele <a data-udi="umb://media/9b9aea10b72b4b2ab8d0bf7b125d860f" href="/media/4191/rapport_commissie_dossier_ja_poch.pdf" title="Rapport Commissie Dossier J.A. Poch">rapport</a> en de <a data-udi="umb://media/63e199c02a8347a5b8898e862472ebe7" href="/media/4192/reactie_op_het_onderzoek_commissie_over_het_dossier_ja_poch.doc" title="Reactie Op Het Onderzoek Commissie Over Het Dossier J.A. Poch">brief</a> van de Minister van JenV</em></p>
11 februari 2021