Op 29 september 2026 lanceerde de Nederlandse Orde van Advocaten (“Orde”) haar ‘eerste visie op toekomstbestendige advocatenkantoren en verantwoorde vernieuwing’.1 De Orde wil daarmee het stelsel voor organisatievormen binnen de advocatuur verantwoord vernieuwen en nieuwe samenwerkingsvormen onder voorwaarden mogelijk maken.2 De Orde wil tevens (technische) innovatie en toegang tot het recht door middel van beperkte externe financiering faciliteren terwijl de kernwaarden van de advocatuur aantoonbaar geborgd blijven.
Daartoe wil de Orde een zogeheten ‘staak’ invoeren, waarbij advocaten, als zij samenwerken met anderen, altijd een afzonderlijke organisatorische eenheid moeten blijven vormen. Die staak, die dient te worden geregistreerd bij de Orde, moet voorkomen dat commerciële, organisatorische of externe belangen de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat beïnvloeden. Een en ander moet worden vastgelegd en uitgewerkt in een samenwerkingsovereenkomst. Staak en samenwerking moeten vooraf worden getoetst door de Orde3 en daarna permanent door een spoedig op te richten Onafhankelijke Toezichthouder Advocatuur (‘OTA’). Hoe tegen deze nieuwe ontwikkelingen aan te kijken?
Daartoe hebben we een korte terugblik nodig, bij wege van helicopter view (of moderner: drone view), op hetgeen zich in de Nederlandse (en internationale) advocatuur de laatste decennia heeft afgespeeld. In de jaren ’70 van de vorige eeuw begonnen advocatenkantoren in Nederland samenwerking met andere kantoren te zoeken, eerst interlokaal en vervolgens internationaal. Daarmee liepen zij in Europa (ver) voorop. Die samenwerking, veelal in de vorm van fusies, was goeddeels gedreven door de twee G’s (geld en groei). Die schaalvergroting maakte ook full service mogelijk, een geïntegreerde dienstverlening, de derde G. En dat leidde welhaast organischerwijze tot de wens tot samenwerking met andere vrije beroepsbeoefenaren, zoals notarissen, belastingadviseurs en in beperkte mate ook octrooigemachtigden, welke samenwerkingen door de Orde vrij spoedig in de regelgeving werden gefaciliteerd. Met het succes van de Nederlandse advocatuur kwam ook de interesse van buitenaf tot samenwerking - of overname -, meer in het bijzonder van de grote accountantskantoren. De advocatuur verwerd daarmee van jager tot prooi, of neutraler: tot (kleinere) partner. Dat leidde tot spanning met de advocatuurlijke kernwaarde van onafhankelijkheid. En ook tot druk op het advocatuurlijke verschoningsrecht. Uiteindelijk is de Orde erin geslaagd om het ‘opslokken’ van advocatenkantoren door de grote accountantsorganisaties te weren. Maar de druk op toegang van buitenaf was daarmee niet verdwenen. De advocaat in dienstbetrekking bij een niet-advocatenkantoor kwam op (de Cohen-advocaat), net als de wens van rechtsbijstandsverzekeraars, BrandMR of de VvAA om advocaten in dienst te mogen hebben. Die wensen hebben met frisse tegenzin geleid tot goedkeuring daarvan door de Orde, maar dan wel voorwaardelijk of tijdelijk. In Duitsland probeerde intussen een externe investeerder om op grond van Europees recht eigenaar te worden van een advocatenkantoor, maar dat is door het HvJEU goeddeels van de hand gewezen.4
In het Verenigd Koninkrijk en in enkele staten in de VS5 zijn sommige barrières om belangen te verkrijgen in advocatenkantoren wel weggenomen. In de VS wordt daarbij veelal onderscheid gemaakt tussen Alternative Business Structures (‘ABS’s’) enerzijds en Managed Service Organizations (‘MSO’s’) anderzijds. Waar het bij ABS’s gaat om vormen van eigendom of zeggenschap van niet-advocaten bij advocatenkantoren als geheel, draait het bij MSO’s om het splitsen van een advocatenkantoor in een gedeelte waarin uitsluitend de advocatuurlijke dienstverlening plaatsvindt en een gedeelte waarin de overige activiteiten zijn opgenomen. In het laatste gedeelte mag door externen worden geïnvesteerd, mits door een services agreement, kort gezegd, de onafhankelijkheid van het advocatengedeelte wordt gegarandeerd.
De oplettende lezer zal zekere gelijkenissen tussen het Amerikaanse MSO-model en de recente voorstellen van de Orde niet ontgaan. Maar is daarmee de legitimiteit en wenselijkheid van die voorstellen gegeven? Mijn eerste observatie zou zijn dat er bepaald goede elementen te ontwaren zijn, zoals het toezicht door Orde en OTA en het kantoor als mede-normadressaat. Maar bij het principiële punt van financiering door investeerders heb ik ernstige bedenkingen. Allereerst verwacht ik niet dat de toegang tot het recht door dergelijke private financiering zal verbeteren. De ervaringen op andere terreinen (zorg, dierenartsen) laten niet zien dat die investeringen leiden tot tariefverlagingen, integendeel. Daar komt bij dat het mij onontkoombaar lijkt dat er druk zal komen op de staak of, minst genomen, dat gedrag binnen die staak zal plaatsvinden dat rekening houdt met de belangen van die investeerders. Maar misschien belangrijker nog: wie hebben die investeringen nodig? Niet de grote en middelgrote commerciële kantoren. Wellicht sommige kleintjes (waaruit blijkt dat eigenlijk?). Maar die zullen niet echt interessant zijn voor investeerders.6 Kortom: een problematische oplossing voor eigenlijk een non-probleem. Niet doen dus, die externe financiering door investeerders; die is niet verantwoord en (daarmee ook) niet toekomstbestendig.
Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/1812
Afbeelding: istock
Voetnoten
1 Gepubliceerd op www.advocatenorde.nl/nieuws en uitgesproken door Else Loes Pasma en Frank Kroes, leden van de Algemene Raad van de Orde, tijdens het symposium ‘Moderne praktijkstructuren in de advocatuur’.
2 De zogeheten Alternatieve Organisatie Structuren. Zie het rapport van de Commissie Kernwaarden Advocatuur en Alternatieve Organisatie Structuren van mei 2026, alsmede Moderne praktijkstructuren voor advocaten, Erasmus School of Law en Pro Facto van 7 april 2026, beide te vinden via de in noot 1 vermelde link.
3 Waarbij dus niet meer alleen de individuele advocaat maar het gehele kantoor op dit punt normadressaat wordt.
4 HvJEU 19 december 2024 (Halmer/Brak), zaak C-295/23.
5 Washington DC, Utah en Arizona (waarbij deze laatste staat het verst gaat in het toelaten van volledige eigendom en zeggenschap door niet-advocaten). Puerto Rico lijkt de minder vergaande voorbeelden van DC en Utah deels te gaan volgen.
6 Zoals ook de problemen in de sociale advocatuur zich niet succesvol door externe financiers zullen laten oplossen. Daar ligt natuurlijk juist wel een overheidstaak.
