Wetsvoorstel (23-06-2026) met Regels over de gereedstelling van de krijgsmacht (Wet op de defensiegereedheid)

Aanleiding voor het wetsvoorstel

De internationale veiligheidssituatie is de afgelopen jaren ingrijpend verslechterd. De oorlog in Oekraïne, toenemende hybride dreigingen, geopolitieke spanningen en verplichtingen die voortvloeien uit NAVO- en EU-samenwerking maken volgens het kabinet een hogere mate van militaire paraatheid noodzakelijk. Nederland moet in staat zijn zichzelf en zijn bondgenoten te verdedigen en moet daarom beschikken over een krijgsmacht die permanent gereed is voor inzet.

Doel van de wet

Het hoofddoel van de Wet op de defensiegereedheid is het waarborgen van een daadwerkelijke en stelselmatige gereedheid van het militaire vermogen van de krijgsmacht. Het voorstel legt vast dat het gereedstellen van de krijgsmacht een zelfstandige publieke taak is van de Minister van Defensie. Daarmee wordt een wettelijk kader gecreëerd om belemmeringen weg te nemen die een tijdige voorbereiding van militairen, materieel en ondersteunende systemen in de weg staan.

Knelpunten in de huidige situatie

Veel bestaande regelgeving is gebaseerd op een situatie waarin grootschalige landsverdediging minder urgent werd geacht. Daardoor loopt Defensie bij de uitvoering van gereedstellingsactiviteiten tegen uiteenlopende beperkingen aan. Het gaat onder meer om milieuregels, natuurwetgeving, geluidseisen, privacywetgeving, aanbestedingsregels en arbeidsrechtelijke voorschriften. Hierdoor kunnen noodzakelijke activiteiten soms niet plaatsvinden of worden zij aanzienlijk vertraagd door procedures en vergunningstrajecten.

Meer ruimte voor militaire oefeningen

Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel betreft het creëren van meer mogelijkheden om in Nederland te oefenen en trainen. Defensie wil realistischer kunnen oefenen met drones, schietoefeningen, nachtvluchten, laagvliegen met helikopters en het aanleggen van loopgraven op oefenterreinen. Ook activiteiten die verband houden met militaire mobiliteit en de ondersteuning van bondgenoten moeten eenvoudiger uitvoerbaar worden.

Tijdelijke afwijkingen van bestaande regels

Het wetsvoorstel beoogt het mogelijk te maken om tijdelijk af te wijken van bepaalde wettelijke voorschriften wanneer deze de defensiegereedheid belemmeren. Dit kan gebeuren via een algemene maatregel van bestuur of via een zogenoemd gereedstellingsbesluit. Deze afwijkingen zijn bedoeld voor specifieke activiteiten die noodzakelijk zijn voor de gereedheid van de krijgsmacht en moeten steeds tijdelijk en gemotiveerd zijn. Daarbij moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het belang van de nationale veiligheid en andere maatschappelijke belangen.

Gevolgen voor natuur en leefomgeving

In het wetsvoorstel wordt erkend dat sommige militaire activiteiten gevolgen kunnen hebben voor natuur, milieu, erfgoed, geluidsoverlast opleveren en de leefomgeving van omwonenden aantasten. Daarom blijven internationale en Europese verplichtingen op het gebied van natuur- en milieubescherming van kracht. Wanneer een activiteit negatieve effecten heeft, moeten deze effecten worden beoordeeld en waar nodig worden beperkt of gecompenseerd.

Daarnaast voorziet het voorstel in monitoring van de gevolgen voor natuurgebieden en beschermde soorten.

Verwerking van persoonsgegevens

Om effectief te kunnen opereren in de moderne informatieomgeving krijgt Defensie nieuwe wettelijke grondslagen voor het verwerken van persoonsgegevens. Deze gegevensverwerking kan nodig zijn voor oefeningen, cyberweerbaarheid, beveiliging van militaire objecten, bescherming van defensiepersoneel en het opbouwen van een informatiepositie over mogelijke dreigingen. Het voorstel bevat waarborgen zoals bewaartermijnen, toezicht, doelbinding en regels voor het gebruik van bijzondere persoonsgegevens.

Cyberveiligheid en informatiepositie

Het wetsvoorstel speelt nadrukkelijk in op de toenemende betekenis van de digitale omgeving voor militaire operaties. Defensie moet informatie kunnen verzamelen en analyseren over fysieke, virtuele en cognitieve dreigingen. Ook moet zij netwerk- en informatiesystemen kunnen beschermen tegen cyberaanvallen, spionage en verstoringen.

Personele gereedheid

De groei van de krijgsmacht vraagt om aanvullende instrumenten op personeelsgebied. Het wetsvoorstel biedt daarom meer flexibiliteit bij medische keuringen en maakt het mogelijk om in bijzondere omstandigheden tijdelijk af te wijken van bepaalde rechtspositionele regels. Ook wordt een wettelijke basis gecreëerd voor een vrijwillige enquête onder jongeren van 17 tot en met 27 jaar om hun belangstelling voor een loopbaan bij Defensie te onderzoeken.

Inkoop en aanbestedingen

Voor de aanschaf van materieel en diensten verduidelijkt het wetsvoorstel hoe bestaande uitzonderingen binnen de aanbestedingswetgeving kunnen worden toegepast wanneer de gereedheid van de krijgsmacht onder druk staat. Daarmee moet voorkomen worden dat noodzakelijke aankopen vertraging oplopen door langdurige aanbestedingsprocedures, terwijl tegelijkertijd de geldende wettelijke voorwaarden van kracht blijven.

Rechtsbescherming en toezicht

Hoewel het voorstel extra bevoegdheden creëert, blijven verschillende vormen van toezicht en rechtsbescherming bestaan. Toezichthouders zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en interne toezichthouders binnen Defensie behouden hun rol. Daarnaast zijn voor verschillende besluiten procedures voor beroep en toetsing opgenomen. Ook wordt de werking van de wet periodiek geëvalueerd.

Geen noodwet

Benadrukt wordt dat de Wet op de defensiegereedheid geen noodwet is. De wet bevat geen bevoegdheden voor onteigening of het vorderen van goederen en is niet afhankelijk van het uitroepen van een uitzonderingstoestand. Volgens de toelichting gaat het om een regulier wettelijk kader voor een permanente overheidstaak: het gereed houden van de krijgsmacht.

Raad van State

De Raad van State onderschrijft de noodzaak van de Wet op de defensiegereedheid en erkent dat de verslechterde internationale veiligheidssituatie vraagt om een versnelde gereedstelling van de krijgsmacht. Tegelijkertijd stelt de Raad dat bij de uitvoering van die opgave een balans moet blijven bestaan tussen het belang van de nationale veiligheid enerzijds en andere publieke belangen, zoals de bescherming van de fysieke leefomgeving, privacy en democratische controle anderzijds. Daarom adviseert de RvS om het wetsvoorstel op verschillende onderdelen aan te passen. De belangrijkste kritiek betreft de voorgestelde vangnetbepaling. Deze bepaling geeft de mogelijkheid om via een koninklijk besluit tijdelijk af te wijken van andere wettelijke voorschriften wanneer die de gereedstelling van de krijgsmacht zouden belemmeren. Volgens de Raad van State is deze bevoegdheid te ruim geformuleerd, zijn de gevolgen ervan onvoldoende voorspelbaar en ontbreken voldoende democratische waarborgen. Omdat de bepaling sterk lijkt op een noodrechtelijke bevoegdheid, terwijl het wetsvoorstel juist buiten het staatsnoodrecht wordt geplaatst, adviseert de RvS de bepaling helemaal te schrappen. Het kabinet heeft dat advies niet overgenomen, omdat het van mening is dat een dergelijke voorziening noodzakelijk blijft om snel te kunnen inspelen op nieuwe technologische en geopolitieke ontwikkelingen. Wel is de bepaling aangescherpt: een voorgenomen besluit moet voortaan eerst voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd en vervolgens voorafgaande instemming krijgen van beide Kamers van het parlement. Ook op het terrein van het omgevingsrecht plaatste de Raad van State kritische kanttekeningen. Het kabinet wilde de gereedheid van het militaire vermogen als afzonderlijke doelstelling in de Omgevingswet opnemen. De RvS achtte dat niet nodig, omdat de huidige Omgevingswet al ruimte biedt om nationale veiligheid en defensie- gereedheid een zwaar of zelfs doorslaggevend gewicht te geven binnen de bestaande belangenafweging. Volgens de Raad hoeft daarvoor geen aparte of bovengeschikte doelstelling te worden gecreëerd. Naar aanleiding van dit advies heeft het kabinet de bepaling aangepast en vereenvoudigd. In de uiteindelijke versie wordt alleen vastgelegd dat de betreffende regeling gericht is op defensiegereedheid, terwijl de verplichting om andere belangen, zoals natuur, milieu en leefomgeving, mee te wegen onverminderd blijft bestaan. Verder uitte de Raad van State zorgen over de voorgestelde regeling voor gegevensverwerking. Defensie krijgt met het wetsvoorstel nieuwe bevoegdheden om persoonsgegevens te verwerken voor oefeningen, informatievergaring, cyberweerbaarheid en de beveiliging van personeel en militaire objecten. De RvS vond dat te veel belangrijke regels werden doorgeschoven naar lagere regelgeving en vroeg om meer waarborgen in de wet zelf. Ook vroeg de Raad van State aandacht voor maximale bewaartermijnen, duidelijke afstemming met de MIVD en adequaat toezicht op de uitvoering. Het kabinet heeft deze kritiekpunten grotendeels weggenomen. Zo zijn belangrijke onderdelen alsnog in de wet vastgelegd, is de mogelijkheid van verdere delegatie beperkt en is een maximale bewaartermijn van zes jaar opgenomen, verdeeld over een basisperiode en twee mogelijke verlengingen. Daarnaast worden afspraken over afstemming met de MIVD en het toezicht door de Functionaris Gegevensbescherming en de Autoriteit Persoonsgegevens verder uitgewerkt. Het kabinet erkent bovendien dat op langere termijn mogelijk een afzonderlijke Wet op de Defensiegegevens wenselijk is.

Naast inhoudelijke wetsbepalingen besteedde de Raad van State veel aandacht aan het maatschappelijk draagvlak voor de gereedstelling van de krijgsmacht. Volgens de Raad van State kan de wet alleen effectief zijn wanneer niet alleen Defensie, maar ook andere overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers begrijpen waarom bepaalde maatregelen noodzakelijk zijn en bereid zijn daaraan mee te werken. De RvS vroeg het kabinet daarom concreet te beschrijven hoe het draagvlak in de samenleving zal worden versterkt. Het kabinet onderschrijft deze analyse en heeft in reactie daarop een zogenoemde whole-of-society-benadering uitgewerkt. Daarbij wordt ingezet op samenwerking met medeoverheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, op meer communicatie over dreigingen en weerbaarheid en op initiatieven zoals het Dienjaar, Defensity College en weerbaarheidstrainingen voor jongeren. Tot slot merkt de Raad van State op dat de Wet op de defensiegereedheid moet worden gezien als een tussenstap en niet als een definitieve oplossing. De tijdelijke afwijkingsmogelijkheden die de wet biedt, zijn bedoeld om op korte termijn knelpunten weg te nemen, maar op langere termijn moet worden gewerkt aan een structurele verankering van defensiegereedheid in nationale en Europese regelgeving. Het kabinet heeft dit uitgangspunt onderschreven en aangekondigd direct na de inwerkingtreding van de wet te werken aan verdere structurele verbeteringen, zowel binnen het omgevingsrecht als op het gebied van gegevensverwerking en andere regelgeving die relevant is voor de krijgsmacht.

Kamerstukken