Het alcoholslotprogramma (ASP), in Nederland ingevoerd in 2011, is ontwikkeld om rijden onder invloed en daarmee samenhangende recidive, terug te dringen. Traditionele maatregelen, zoals boetes en rijontzeggingen, blijken in de praktijk niet steeds toereikend om herhaling te voorkomen. Het ASP grijpt direct in op het gedrag van de bestuurder: bij een te hoog alcoholpromillage start het voertuig niet. De maatregel beoogt gedragsbeïnvloeding en het beperken van risico’s voor de verkeersveiligheid. De bestuursrechtelijke verankering had punitieve trekken (ingrijpende gevolgen en financiële lasten), wat fundamentele vragen opriep over proportionaliteit, ne bis in idem en de waarborgen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). In de rechtspraak leidde dit tot beëindiging: de Hoge Raad oordeelde dat strafvervolging naast het ASP kon neerkomen op ongeoorloofde dubbele bestraffing, terwijl de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het in strijd achtte met het evenredigheidsbeginsel, waardoor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) het niet langer mocht opleggen. Bij een eventuele herinvoering staat de juridisch houdbare inbedding opnieuw centraal. De effectiviteit is doorslaggevend: zij bepaalt de geschiktheid (draagt de maatregel bij aan recidivereductie?) en weegt mee in de proportionaliteit, temeer nu het ASP eerder op evenredigheidsgronden ontoelaatbaar werd geacht. Tegen deze achtergrond onderzocht Martine Blom in hoeverre deelname aan het ASP leidt tot structurele gedragsverandering en duurzame recidivereductie. Het proefschrift is gebaseerd op een retrospectieve cohortstudie met een controlegroep van vergelijkbare overtreders. Omdat deelname niet willekeurig is, wordt voor selectie gecorrigeerd met matching en regressie, zodat het causale effect zo goed mogelijk wordt benaderd. De resultaten laten zien dat deelname aan het ASP gepaard gaat met een zeer lage recidive tijdens de looptijd (minder dan 0,5%). Belangrijker: dit effect blijft deels bestaan na afloop. Deelnemers hebben tot twee jaar na beëindiging circa 30% minder kans op nieuwe rijden-onder-invloeddelicten dan vergelijkbare niet-deelnemers. Dit wijst op structurele gedragsverandering. De effectiviteit is echter niet voor alle groepen gelijk. De recidivereductie is geringer bij zogenoemde vroege starters: personen die al voor hun zestiende met justitie in aanraking komen, vaak jonge, beginnende bestuurders met een omvangrijkere en bredere strafrechtelijke voorgeschiedenis. In de criminologische literatuur wordt deze groep geassocieerd met multiproblematiek (psychische problemen, middelenmisbruik en een zwakkere sociaaleconomische positie en een verhoogd risico op een persistente en omvangrijke strafrechtelijke carrière). Voor deze groep lijkt het ASP als op zichzelf staande interventie minder effectief, wat pleit voor aanvullende of geïntegreerde maatregelen.Blom concludeert dat het ASP recidive effectief reduceert, zowel op korte als op langere termijn, door structurele gedragsverandering. De uiteindelijke impact op de verkeersveiligheid hangt af van de schaal van toepassing en de afbakening van de doelgroep. Empirische effectiviteit vormt de noodzakelijke basis voor de verdere beoordeling en vormgeving.
Blom verdedigde haar proefschrift op 11 februari 2026 aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Promotoren: prof. dr. E.R. Kleemans, prof. dr. H. Elffers en dr. G.M. Weijters.
Martine Blom
Evaluating the Effectiveness of an Alcohol Ignition Interlock Program
Het proefschrift is hier te raadplegen