De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zich gebogen over het amendement van de Kamerleden Sneller en Tseggai, dat beoogt aanvullende regels op te nemen in de Wet op de politieke partijen met betrekking tot de interne democratie binnen partijen. Volgens dit voorstel zouden politieke partijen verplicht worden om leden toe te laten die aan de gestelde voorwaarden voldoen en die leden ook daadwerkelijk invloed te geven op belangrijke besluiten, zoals het partijprogramma en de kandidatenlijst voor verkiezingen. Het toezicht op de naleving van deze regels zou in handen komen van de Nederlandse autoriteit voor politieke partijen (Napp). Indien partijen niet aan de voorgestelde eisen voldoen, kan dit uiteindelijk leiden tot uitsluiting van deelname aan verkiezingen.

De Afdeling advisering erkent dat er in beginsel ruimte bestaat om de organisatie van politieke partijen wettelijk te reguleren. Hoewel een ruime mate van vrijheid voor partijen essentieel is voor het functioneren van de democratische rechtsstaat, kan het in bepaalde situaties gerechtvaardigd zijn om die vrijheid te begrenzen, bijvoorbeeld met het oog op de bescherming en versterking van de democratie. Tegelijkertijd benadrukt de Afdeling dat dergelijke ingrepen zorgvuldig moeten worden afgewogen.

In dat licht stelt de Afdeling vast dat het amendement op dit moment onvoldoende is onderbouwd. In de toelichting wordt niet overtuigend uiteengezet waarom de voorgestelde beperkingen op onder andere de verenigingsvrijheid en het passief kiesrecht noodzakelijk en proportioneel zijn. Ook ontbreekt een expliciete afweging van de mogelijke voordelen en nadelen van het invoeren van wettelijke regels voor de interne partijorganisatie. Juist vanwege de verschillende constitutionele belangen die hierbij een rol spelen, is zo’n afweging volgens de Afdeling essentieel.

Daarnaast wijst de Afdeling erop dat het vaststellen van regels op dit terrein nauw luistert. Een te vergaande regulering kan leiden tot een ongerechtvaardigde inperking van de vrijheid van politieke partijen en de rechten van kandidaten, terwijl een te beperkte regeling het risico met zich meebrengt dat de beoogde normstelling onvoldoende effect sorteert en gemakkelijk kan worden omzeild. Het vinden van een juiste balans is daarom cruciaal.

Bijzondere aandacht gaat uit naar de voorgestelde sanctie. De Afdeling acht het uitsluiten van politieke partijen van deelname aan verkiezingen een zeer ingrijpende maatregel, zeker gezien het open karakter van de normen waaraan partijen moeten voldoen en de onzekerheid over hoe deze normen in de praktijk zullen uitwerken. Daarbij komt dat het amendement alternatieve deelnamevormen, zoals via een blanco lijst, eveneens uitsluit. Dit alles maakt de voorgestelde sanctie volgens de Afdeling op dit moment een te zware inbreuk op het passief kiesrecht. Zij adviseert dan ook om van deze sanctiemogelijkheid af te zien.

Wanneer de wetgever ervoor kiest om geen sancties op te nemen, rijst de vraag of regulering zonder afdwingingsmechanisme zinvol is. Enerzijds bestaat het risico dat partijen de regels naast zich neerleggen, anderzijds kan een lichtere vorm van regulering ruimte bieden voor verdere ontwikkeling in de praktijk. In dat scenario zou de Napp door middel van rapportages aan het parlement kunnen bijdragen aan een bredere maatschappelijke en politieke discussie over de invulling van interne partijdemocratie. De Afdeling adviseert daarom om, indien men regulering wenst, een afzonderlijke en zorgvuldige afweging te maken van de voor- en nadelen van een systeem zonder de voorgestelde zware sanctie.

Bron: Raad van State 

Laatste nieuws