Uit recent onderzoek van het WODC komt naar voren dat verdachten met een lagere sociaaleconomische status, zoals een lager inkomen, minder opleiding, geen werk of een instabiele woonsituatie, gemiddeld nadeliger worden behandeld binnen het strafrecht. Hoewel verschillen in uitkomsten niet automatisch betekenen dat er sprake is van verboden onderscheid, lijkt er wel een structureel patroon te bestaan waarbij deze groep zwaarder wordt getroffen.

Een belangrijk mechanisme hierbij is de manier waarop zaken in een vroeg stadium van de strafrechtketen worden afgehandeld. Personen met gunstigere sociaaleconomische kenmerken belanden vaker in een traject via het Openbaar Ministerie en verschijnen daardoor minder vaak voor de rechter. Omdat rechtszaken openbaar zijn en alleen rechters gevangenisstraffen kunnen opleggen, heeft deze vroege selectie invloed op zowel de zichtbaarheid als de zwaarte van de uiteindelijke straf.

In de praktijk blijkt dat verdachten met een minder sterke sociaaleconomische positie bij vergelijkbare overtredingen vaker een vrijheidsstraf opgelegd krijgen en dat deze straffen ook langer duren. Daarentegen krijgen mensen met een sterkere positie vaker een geldboete opgelegd, die bovendien gemiddeld lager uitvalt. Wanneer alle sancties samen worden bekeken, ontstaan er duidelijke verschillen in de totale strafmaat tussen beide groepen. Opvallend is dat sociaaleconomische factoren een grotere rol lijken te spelen dan migratieachtergrond bij deze uitkomsten.

Uit aanvullend kwalitatief onderzoek blijkt dat professionals binnen de strafrechtketen bij hun beslissingen rekening houden met persoonlijke omstandigheden van verdachten. Daarbij spelen bijvoorbeeld de kans op resocialisatie, het hebben van werk en de houding tijdens het proces een rol. Mensen die communicatief vaardiger zijn en beter bekend zijn met het systeem, kunnen zichzelf vaak gunstiger presenteren. Ook wordt bij verdachten met stabielere leefomstandigheden sneller gedacht aan lichtere of alternatieve straffen. Wanneer deze factoren echter structureel doorwerken, dragen ze bij aan ongelijkheid in uitkomsten.

Daarnaast blijkt dat er onder professionals geen eenduidigheid bestaat over hoe persoonlijke omstandigheden en proceshouding precies moeten worden meegewogen. Omdat de eisen aan de motivering van strafbeslissingen relatief beperkt zijn, is er ruimte voor verschillende interpretaties en afwegingen.

Hoewel het Nederlandse strafrecht bewust ruimte biedt voor maatwerk, roept de optelsom van deze factoren vragen op over de rechtvaardigheid van de uitkomsten. De onderzoekers pleiten daarom voor verdere reflectie op hoe het systeem functioneert in een samenleving waarin sociaaleconomische verschillen groot zijn. Zij doen verschillende aanbevelingen om ongewenste selectiviteit te verminderen, variërend van trainingen voor professionals tot aanpassingen in systemen en strengere eisen aan verantwoording en monitoring van beslissingen.

Bron: WODC 

Laatste nieuws