
Staatscontinuïteit als constitutioneel beginsel
Wie de Grondwet doorneemt vindt geen bepaling die de overheid expliciet opdraagt het voortbestaan van de Staat te waarborgen. Toch ademt het hele constitutionele bestel uit dat de Nederlandse Staat moet blijven bestaan, blijven functioneren en zijn democratisch-rechtsstatelijk karakter behouden. Van de onmiddellijke troonopvolging bij het overlijden van een koning tot de zorg voor milieu, defensie en de bescherming van de democratische rechtsstaat: achter uiteenlopende grondwettelijke bepalingen lijkt een gemeenschappelijke gedachte schuil te gaan. In deze bijdrage wordt onderzocht of die kan worden opgevat als een zelfstandig constitutioneel beginsel van staatscontinuïteit. Betoogd wordt dat zo’n beginsel inderdaad besloten ligt in het Nederlandse constitutionele recht en dat het verder reikt dan het voorkomen van institutionele machtsvacuüms alleen. Ook de bescherming van de bevolking, het grondgebied, het soeverein gezag en de democratische rechtsstaat behoort tot de constitutionele opdracht om de Staat te bestendigen. Daarmee krijgt de opdracht voor politiek en bestuurlijk handelen in het belang van de continuïteit van de Staat een expliciete plaats binnen het constitutionele discours.
Een arrest dat het debat over onderwijsvrijheid urgent maakt
Over richtingsbedenkingen en een afhoudende politiek
Met het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026 lijkt een einde te komen aan de sterk gegroeide praktijk van vrijstellingen van de leerplicht op grond van richtingsbedenkingen. Waar ouders sinds 2012 ook bezwaren tegen openbaar onderwijs konden aanvoeren vanuit een persoonlijke levensbeschouwelijke overtuiging, is die route nu vrijwel afgesloten. Het arrest biedt weliswaar een praktische oplossing voor uitvoeringsproblemen bij gemeenten, justitie en leerplichtambtenaren, maar roept tegelijkertijd fundamentele vragen op over de betekenis van onderwijsvrijheid in een steeds sterker gereguleerd onderwijsbestel.
Strafbank of springplank?
Over de ruimte voor ministers en staatssecretarissen om vervolgfuncties aan te nemen na inwerkingtreding van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen
Op 20 februari 2026 is de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen (Wet rivb) in werking getreden. Vormt de Wet rivb een sta-in-de-weg voor het vervolg van de maatschappelijke carrière van een bewindspersoon? In deze bijdrage wordt de zaak van Gijs Tuinman, voormalig Staatssecretaris van Defensie, geschetst ter illustratie van de abstractere onderliggende vraag: hoeveel ruimte hebben gewezen bewindspersonen na inwerkingtreding van de wet nog om vervolgfuncties te accepteren?
Time to change
Vervang de Faillissementswet door een Herstructurerings- en Insolventiewet
De huidige Faillissementswet is op 1 september 1896 in werking getreden en viert dus haar 130-jarige bestaan. Dat is ontegenzeggelijk een mijlpaal voor dit bijzondere stuk wetgeving, zoals destijds door (met name) prof. Molengraaff opgesteld. Deze oude en vertrouwde Faillissementswet is echter over haar houdbaarheidsdatum heen. Europese ontwikkelingen dwingen de Nederlandse wetgever inmiddels ook om ingrijpende aanpassingen door te voeren. Vandaar een pleidooi voor de vervanging van de Faillissementswet door een Herstructurerings- en Insolventiewet, mede voortbouwend op de concept-regelingen die reeds beschikbaar zijn.
Eerder verschenen

NJB 25 (2026)
15 juli 2026

NJB 24 (2026)
9 juli 2026

NJB 23 (2026)
1 juli 2026

NJB 22 (2026)
23 juni 2026

NJB 21 (2026)
18 juni 2026