Over het verspreiden van extremistisch gedachtengoed

Censuur is geen vastomlijnd begrip. Het is niet zo dat een autocratie wel aan censuur doet en een rechtsstaat niet. Vanouds raken ook in de rechtsstaat diverse delicten de vrije meningsuiting: opruiing, aanzetten tot haat, belediging en in zekere zin zelfs pornografie. Misschien begint het verschil echter af te nemen. De beroemde dissidente kunstenaar Ai Wei Wei beschreef recent wat mensen die aan de Chinese AI-tool Deep Seek een vraag over hem stellen, als reactie krijgen: ‘Laten we over iets anders praten’.1 Dat is tamelijk beschaafd. Zo doen wij het ook. 

Moeilijke vragen bestraffen we niet, maar gaan we uit de weg. Ik zou het best willen hebben over de vraag hoe Nederland kan bijdragen aan de vervolging van de Israëlische minister-president Netanyahu. Er is een arrestatiebevel van het ICC, dat Nederland zal uitvoeren, maar hij gaat maar door. Zijn soldaten schieten bij herhaling gericht op medisch personeel. Het is niet verboden de vraag te stellen, maar uit een soort onmacht draaien we ervan weg: ‘Laten we over iets anders praten.

We lijken Deep Seek wel. Op onze beurt bouwen we aan de onderdrukkingsmiddelen van morgen met het op 19 juni 2026 ingediende wetsvoorstel ‘strafbaarstelling openlijk steun betuigen aan terroristische organisaties en het verheerlijken van terrorisme’. Zeker, het ontwerp miskent niet dat vrijheid van meningsuiting belangrijk is. Het is niet alleen een mensenrecht om te zeggen wat je denkt, maar ook een politiek recht om in het publieke debat te vertellen wat je wil bereiken. Dat belang verklaart waarom de straffen voor bestaande uitingsdelicten doorgaans laag zijn: rechters willen weliswaar de betreffende normen duidelijk maken, maar geen chilling effect teweeg brengen.

Het wetsvoorstel gaat over uitingen die niet – zoals eerdere strafbaarstellingen – directe (immateriële) schade of concreet gevaar opleveren, maar een nauwelijks omschreven risico betreffen. Het dragende argument is dat jihadisten en rechts-extremisten via digitale media hun propaganda verspreiden. Strafbaar is voortaan het ‘verregaand loven’ van een terroristisch misdrijf waar levenslang op staat, het in voorraad hebben van een geschrift waarin dat gebeurt, of het steun betuigen aan organisaties die op de sanctielijsten staan, zoals Hamas, de (inmiddels opgeheven) PKK, en the Base. De 15.000 reacties op de internetconsultatie bevatten stevige kritiek. De Afdeling advisering van de Raad van State zag echter geen aanleiding om de voorgestelde strafbaarstellingen op zichzelf ontoelaatbare beperkingen van vrijheden te achten. ‘De toepassing van de strafbaarstellingen in concrete gevallen kan echter wel ontoelaatbaar zijn, als niet goed wordt gekeken naar de relevante factoren die uit de rechtspraak van het EHRM volgen’. Technisch-juridisch lijkt daar weinig op aan te merken. Maar het ontwerp zint me vooral niet vanwege de huidige fase waarin de democratische rechtsstaat verkeert.

In 2025 werd in het Verenigd Koninkrijk op grond van de Terrorism Act 2000 de actiegroep Palestine Action als terroristische organisatie gekwalificeerd en verboden. De activisten hadden onder meer rode verf op vliegtuigen gespoten en vernielingen en inbraken gepleegd gericht tegen de Israëlische wapenfabrikant Elbit Systems. Er zijn inmiddels meer dan 3.000 mensen gearresteerd omdat ze – met borden met de tekst ‘I oppose genocide. I support Palestine Ac­tion’ – steun betuigden aan deze terroristische organisatie. De juridische strijd over de vraag of de groep verboden mocht worden en – in dit kader belangrijker – of deze arrestaties in strijd zijn met het recht op vrije meningsuiting en de demonstratievrijheid is nog gaande. Het geval illustreert hoe kwetsbaar een wet is die het uiten van enkele sympathie strafbaar stelt. Het vervolgen van sympathisanten lijkt al snel op politieke vervolging.

Om te illustreren wat dat is, neem ik een Nederlands voorbeeld dat niet te maken heeft met sympathie voor terrorisme, maar met sympathie voor on-rechtsstatelijk optreden. Als een wethouder weigert de Spreidingswet uit te voeren rijst de vraag of hij zich door ‘de aanmatiging van een bevoegdheid die hem niet toekomt’ jegens de ambtenaren die hij met klem beveelt aan die uitvoering niet mee te werken, strafbaar maakt aan ‘dwang met misbruik van gezag’ (art. 365 Sr). Ik heb burgemeesters horen vertellen hoe moeilijk het is om het gesprek aan te gaan met de vele mensen die de overheid wantrouwen vanwege slechte ervaringen met de toeslagenaffaire, de moeizame jeugdzorg en het onduidelijke stikstofdossier en die nu niet ‘ook nog’ vluchtelingen in hun dorp willen. Dat zijn emotionele gesprekken. De rechtsstaat stelt echter grenzen: het openbaar bestuur kan niet zomaar voorbijgaan aan de wet. Als de wethouder in naam van het ‘luisteren naar het volk’ de wet weigert toe te passen lijdt hij als politicus aan de ‘machtsvergessenheit’ die een weerloze democratie oplevert en de rechtsstaat ondermijnt. Daarom is de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging relevant. Ze is echter niet wenselijk: vervolging zou in zo’n geval begrijpelijkerwijs als een politiek gemotiveerde actie worden beschouwd. Dat soort repressie willen we niet in onze democratische rechtsstaat.

Net zo politiek gemotiveerd zal het aanvoelen als demonstranten wegens het ‘verspreiden van extremistisch gedachtengoed’ worden vervolgd. Vermoedelijk gaat de Afdeling advisering ervan uit dat het wetsvoorstel zelden zal worden toegepast en dat een eventuele vervolging ook nog kan worden afgestopt door de rechter. Dat mag zo zijn, maar deze uitingsdelicten zullen vooral ellende opleveren. De rechter wordt voor een politiek karretje gespannen, als degene die verregaande lof uit over de ziekenhuizen van Hamas wel moet worden bestraft en degene die zich bijvoorbeeld tegen ‘omvolking’ keert niet eens kan worden vervolgd. En wat gaat er gebeuren als de Verenigde Staten Nederland op grond van de US Counterterrorism Strategy2 vraagt bepaalde ‘gewelddadige linkse activisten met inbegrip van anarchisten en antifascisten’ aan te pakken vanwege hun grofkorrelige uitspraken? Welke ruimte heeft de rechter om dan te zeggen: ‘Leve de vrijheid van meningsuiting. Laten we maar over iets anders praten.’

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/1247, afl. 23

Afbeelding: Shutterstock

 

Voetnoten

1 Ai Wei Wei, On Censorship, Thames & Hudson 2026, p. 64.

Over de auteur(s)
Author picture
Ybo Buruma
Oud-raadsheer in de Hoge Raad en hoogleraar