Na het uitbreken van de Syrische burgeroorlog in 2011 reisden tienduizenden buitenlanders naar Syrië en Irak om zich daar aan te sluiten bij Islamitische Staat (IS) en andere terroristische organisaties. In Resolutie 2170 (2014) gebruikte de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de term foreign terrorist fighter (FTF) om dergelijke personen aan te duiden, en definieerde deze term vervolgens in Resolutie 2178 (2014). Naar schatting reisden tussen de 44.000 en 52.000 individuen naar het conflictgebied in Syrië en Irak. Deze mobilisatie van FTFs was niet alleen ongekend door de aantallen waarin zij samen met hun familieleden naar het conflictgebied afreisden, maar ook vanwege de uitzonderlijk vergaande reacties van hun staten van herkomst (staten van nationaliteit en van gewone verblijfplaats). Deze studie van Ida Asscher richt zich op vier reacties ten aanzien van FTFs en hun familieleden: (1) het voorkomen van uitreis; (2) het ontnemen van nationaliteit; (3) de weigering of terughoudendheid om te repatriëren; en (4) vervolging of, meer in het bijzonder, de steun van staten voor vervolging door Irak of de Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië (AANES). Over het algemeen worden de reacties van staten van herkomst, met name die van Europese staten, gekenmerkt door een streven om de terugkeer van FTFs en hun familieleden te voorkomen. Deze studie betoogt dat staten van herkomst, door de manier waarop zij hebben gereageerd, grotendeels hun verantwoordelijkheden hebben ontlopen en de veiligheidsrisico’s die deze personen mogelijk met zich meebrengen hebben afgewenteld op andere actoren. Waaronder op staten van bestemming, staten van doorreis en staten van tweede of derde nationaliteit, evenals op de AANES en de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), die de controle hadden over Noordoost Syrië. De studie stelt vervolgens de vraag hoe het internationaal publiekrecht dergelijk handelen reguleert en begrenst.
Deze studie toont aan dat het internationaal publiekrecht belangrijke beperkingen oplegt aan de mate waarin staten hun verantwoordelijkheden kunnen ontlopen en veiligheidsrisico’s kunnen afschuiven op andere staten of niet-statelijke actoren. Hoewel deze studie een casestudy is van FTFs en hun familieleden in Syrië en Irak, weerspiegelt het een bredere en zorgwekkende trend die zich uitstrekt voorbij de context van de reacties van staten op vroegere, huidige en toekomstige stromen van foreign (terrorist) fighters. Het uitbesteden van verantwoordelijkheden en het nemen van verregaande maatregelen die leiden tot het afschuiven van lasten en veiligheidsdreigingen naar andere staten, wordt ook in andere contexten steeds gebruikelijker. De maatregel van nationaliteitsontneming lijkt zich bijvoorbeeld uit te breiden buiten de context van terrorismebestrijding, aangezien deze steeds vaker wordt voorgesteld als een geschikte maatregel in andere situaties. In de immigratiecontext zijn staten begonnen met sluiten van overeenkomsten om asielzoekers over te brengen naar derde landen zoals Rwanda en Uganda. Dergelijke verregaande maatregelen en passief optreden, waarbij staten hun problemen doorschuiven naar andere staten en personen die zij als ongewenst beschouwen buitensluiten, dreigen de norm te worden voor hoe staten reageren op een breed scala van maatschappelijke uitdagingen. In vier hoofdstukken biedt deze studie de juridische instrumenten en het juridische taalgebruik om het inactieve en passieve optreden van staten te bekritiseren. In de context van FTFs en hun familieleden hebben dergelijke reacties van staten van herkomst geleid tot de oneindige detentie van duizenden derdelanders in kampen en andere detentievoorzieningen in Noordoost- Syrië en in Iraakse gevangenissen. Op soortgelijke wijze hebben deze praktijken in andere contexten geleid tot het exporteren van maatschappelijke uitdagingen en het doorschuiven van individuen naar staten die niet in staat zijn hen de noodzakelijke bescherming te bieden. Indien deze ontwikkeling zich blijft voortzetten, zal dit verstrekkende gevolgen hebben voor de internationale rechtsorde en voor de individuen die door deze praktijken worden getroffen. Deze studie moet daarom ook worden gelezen als een dringende oproep, gebaseerd op het internationaal publiekrecht, aan staten om anders te handelen, primair – maar zeker niet uitsluitend – in het geval van FTFs en hun familieleden in Syrië en Irak.
Asscher promoveerde op 10 maart 2026 aan de Universiteit van Amsterdam. Promotores: Prof. Larissa van den Herik (Universiteit Leiden) en Dr. Christophe Paulussen (T.M.C. Asser Instituut).
Ida Asscher
Shunning responsibilities and shifting risks. States’ responses to the foreign terrorist fighters phenomenon & the limits of
public international law