De Civiele Kamer van de Hoge Raad staat niet stil. Gelukkig maar. Maar “gezwinde spoed” lijkt aan de andere kant niet de eerste kwalificatie die een mens te binnen schiet wanneer wordt nagedacht over veranderingsprocessen bij de Hoge Raad. Ook dat is maar goed ook, want bedachtzaamheid is geen slechte eigenschap voor een hoogste rechter.
Wie over een langere periode terugkijkt, ziet een aantal majeure veranderingen. Zo heeft de Hoge Raad substantiële wijzigingen doorgevoerd in de manier waarop hij uitspraken doet. Sinds een (fiks) aantal decennia is niet langer sprake van één lange volzin, beginnende met “O(verwegende). dat”, tot en met het dictum. De Hoge Raad is in gewonere zinnen gaan spreken. Daartegenover staat natuurlijk de tendens om in heel veel zaken zo weinig mogelijk zinnen te gebruiken; de opkomst van de (integrale) standaardverwerpingen van het cassatieberoep met de mantra van art. 81 lid 1 RO. Als deel van een breder project om de gebezigde taal wat te moderniseren, is die mantra recentelijk aangepast, misschien mede naar aanleiding van stille gedachten dat niet duidelijk was, althans niet uit de afdoening zelf, of de Hoge Raad bij 81-ers steeds goed naar iedere zaak had gekeken. Nu pareert hij die gedachten reeds in de eerste volzin van iedere 81-beslissing: “De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest [of: de beschikking] van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest [of: die beschikking]. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).”1
Echter, veel is ook grosso modo hetzelfde gebleven. Anders dan het HvJEU2 onthult de Hoge Raad ons nog immer niet wie de concipiënt is van de uitspraak. En anders dan het EHRM3 laat hij ons evenmin zien of er sprake was van een unanieme of een verdeelde beslissing en welke raadsheren of -vrouwen tot welk oordeel zijn gekomen. Evenzeer anders dan het EHRM vertelt hij ons ook niet expliciet of het om een belangrijke of een minder belangrijke beslissing gaat.4
Voor wie in meer detail kijkt, is er voorts ook sprake van wat subtielere veranderingen. Dan gaat het soms om (relatieve) trivialiteiten als de beslissing om voortaan op sommige punten de spelling van grote juridische uitgevers te volgen in plaats van vast te houden aan de eigen tradities. Zo veranderde “Rv.” in Rv”, “F.” in “Fw” en werd bijvoorbeeld “NJ 2011, 465”: “NJ 2011/465”. En zo zien we sinds juni 2019 voetnoten verschijnen (met verwijzingen naar eerdere arresten)5 in plaats van verwijzingen in de tekst zelf. Van meer belang is dat de Civiele Kamer ook andere moderniseringen heeft aangebracht, zoals de mogelijkheid dat ook niet-vicepresidenten als voorzitter van een (3-)formatie kunnen optreden.
Belangrijker is, wat mij betreft, dat sinds ongeveer de jaren nul een geleidelijke toename te zien is geweest van de mate van motivering van belangrijke uitspraken van de Civiele Kamer (en van de Hoge Raad als geheel). Voor de praktijk was dat een gelukkige ontwikkeling, gezien de eeuwige honger naar meer duidelijkheid. Er werd gewerkt met kopjes, vooropstellingen, obiter dicta en soms was zelfs expliciet sprake van vormen van discursieve argumentatie.6 En, hoewel men niet zover ging als het Bundesgerichtshof (dat vaak ruimhartig reflecteert op de rechtsliteratuur), werd een aantal keren verwezen naar discussies of standpunten in de literatuur. Eind 2017 signaleerde ik nog een opmerkelijk vérgaande serie rechtsvindingstechnieken in HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054 (immuniteit Irak) in NJB 2017/2276 (Rechtsvinding bij de Hoge Raad).
Een kleine 10 jaar later lijkt het tij gekeerd. Zonder dat ik overigens enige vorm van kwantitatief of kwalitatief onderzoek heb gedaan, zie ik naar mijn (stellige) overtuiging in het afgelopen decennium langzaam maar zeker een steeds soberder, of zo men wil: bondiger, motiverende Civiele Kamer.7 Of dat samenhangt met het tijdperk waarin in toenemende mate kritiek op de rechterlijke macht wordt uitgeoefend, als zou deze te veel op de stoel van de politiek of de wetgever plaatsnemen, weet ik niet. Een zekere voorzichtigheid zou wel goed voorstelbaar zijn, misschien niet als moeder, maar wel als (mede)hoeder van de spreekwoordelijke porseleinkast van de democratische rechtsstaat. Maar wellicht is het ook wat profaner, en misschien pragmatischer, in het licht van wat soms naar buiten sijpelt: dat de Hoge Raad eindelijk eens wat aan de al heel lang bestaande te hoge werkdruk zou willen doen. Hoe dan ook, voor de pragmaticus in de praktijk is het wel pindakaas. Maar, die houdt zich vast wensdenkend voor: alle eb wordt ook weer vloed, bij recht en Hoge Raad, die immer in (al dan niet trage) beweging, in (slow) motion, zullen zijn.
Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/800, afl. 15.
Afbeelding: istock
1 De oudere jongeren onder ons zullen zich nog wel de aloude formulering herinneren: “De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”
2 Het HvJEU vertelt ons wie de rapporteur is (en dat is degene die het concept heeft geschreven).
3 Het EHRM werkt met dissenting en concurring opinions.
4 De Hoge Raad beslist bijvoorbeeld nooit in een Grote Kamer (omdat de wet hem dat niet toestaat) en we moeten het hebben van secundaire beslisbronnen (is beslist in een 3-formatie (eenvoudige zaak) of in een samenstelling van 5 (geen eenvoudige zaak)) en interpretatiewijzen (als sprake is van een opmerkelijk smal gemotiveerde beslissing, dan zou wel eens sprake kunnen zijn van verdeeldheid in de Civiele Kamer).
5 Soms zelfs in 81-beslissingen.
6 Zie bijvoorbeeld HR 08 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465 m.nt. T. Hartlief (Hangmat).
7 Met uitzondering van préjudiciële zaken. Zie daarover J.P. Heering in Dongelmans e.a. (red.). Rechtsontwikkeling in rechterlijke dialoog, Tien jaar prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in civiele zaken, Den Haag, Boom juridisch 2023.
