Financiering van collectieve geschilbeslechting door middel van procesinvestering is een onderwerp waarvoor veel aandacht is, en waarover veel onduidelijkheid bestaat. Het proefschrift van Jacob van der Tang geeft een grondige analyse van het onderwerp vanuit juridisch-dogmatisch en rechtsvergelijkend (Engeland en Wales, Australië) perspectief. In de analyse wordt ook gebruikgemaakt van empirische en rechtseconomische inzichten. In dit proefschrift wordt het onderwerp voor het eerst naar Nederlands recht juridisch-dogmatisch doordacht met oog voor de verhouding van procesinvestering ten opzichte van (de modellen van) collectieve geschilbeslechting, de financiële rechten en zeggenschapsrechten van procesinvesteerders en de toetsing en regulering van procesinvestering. In de doordenking wordt ruimschoots aandacht besteed aan de meest recente ontwikkelingen op nationaal en Unierechtelijk vlak, waaronder begrepen het Europese richtlijnvoorstel dat als doel heeft om procesinvestering te reguleren (onder andere) via een vergunningensysteem. Eind vorig jaar gaf de Europese Commissie aan procesinvestering (vooralsnog) niet te willen reguleren. Een aantal organisaties, waaronder de U.S. Chamber of Commerce Institute for Legal Reform, heeft bij de Europese Commissie onlangs echter alsnog tot regulering van procesinvestering in de vorm van een vergunningensysteem aangedrongen. In het proefschrift wordt in het kader van de analyse van het richtlijnvoorstel geconcludeerd dat een dergelijk systeem vooralsnog niet af te wijzen valt. De vraag of procesinvestering op Europees niveau gereguleerd moet worden, zal ongetwijfeld ook terug blijven komen. Het richtlijnvoorstel biedt ten slotte eveneens inspiratie voor regulering van procesinvestering op nationaal niveau, zodat het ook om die reden een grondige bespreking verdient. Het onderzoek mondt uit in een aantal praktische aanbevelingen voor de wetgevende en rechtsprekende macht en voor de rechtspraktijk. Deze aanbevelingen omvatten nadere regulering van procesinvestering, toevoeging van principes voor procesinvesteerders aan de Claimcode 2019 (onder voorbehoud van nadere regulering op Unierechtelijk niveau) en de introductie van een ‘Procesreglement voor collectieve geschilbeslechting’. De nadere regulering heeft onder andere betrekking op de vergoedingen voor procesinvesteerders. In het proefschrift wordt bijvoorbeeld voorgesteld om de rechterlijke bevoegdheid om vergoedingen voor procesinvesteerders bij een collectieve actie te toetsen in de wet vast te leggen. Eveneens wordt dat bepleit voor wat betreft de mate van verhaalbaarheid van vergoedingen voor procesinvesteerders op de aangesproken partij. Bij de nadere uitwerking van de Claimcode 2019 valt te denken aan toevoeging van principes daaraan die zien op de precontractuele fase van de procesinvesteringsovereenkomst en de rechten die procesinvesteerders gewoonlijk bedingen. In een ‘Procesreglement voor collectieve geschilbeslechting’ ten slotte, zou (nader) geadresseerd kunnen worden hoe de rechter procesinvestering toetst, bijvoorbeeld als het gaat om de zeggenschap die een procesinvesteerder mag hebben. Het onderzoek beveelt op Unierechtelijk niveau aan om aandacht te besteden aan punten waarop het richtlijnvoorstel om procesinvestering te reguleren volgens het proefschrift te wensen overlaat.
Van der Tang promoveerde op 3 februari 2016 aan de Universiteit Utrecht. Promotores: prof. mr. Tomas Arons en prof. mr. drs. Jan Biemans. Co-promotor: mr. dr. Peter Laaper.
Jacob van der Tang
Financiering van collectieve geschilbeslechting door middel van procesinvestering
Wolters Kluwer 2026, 596 p., € 79,50
ISBN 978 90 1318 472 3