AI en rechtspraak

Dit artikel verkent de betekenis van AI voor de civiele rechtspraak vanuit een procesrechtelijk en een rechtsfilosofisch perspectief. Aan de orde komt de vraag wat AI kan betekenen voor procespartijen en wat daarbij de risico’s vormen. Aansluitend wordt ingegaan op AI-gebruik door de rechter en hoe zich dit verhoudt tot de partijautonomie en het recht op hoor en wederhoor. Daarbij wordt een blik geworpen op het onlangs in gebruik genomen RechtspraakGPT. Vervolgens komt aan de orde wat er principieel op het spel staat wanneer AI richting geeft aan de manier waarop een zaak wordt begrepen en beslist. Zo zou rechterlijke oordeelsvorming in lijn met Hannah Arendts gedachtengoed geworteld moeten zijn in een gedeelde menselijke wereld, waarin betekenis ontstaat door het inbrengen en wegen van verschillende perspectieven. En de deliberatieve theorie van Jürgen Habermas maakt duidelijk dat de legitimiteit van rechterlijke beslissingen niet alleen ligt in de uitkomst, maar in het proces van open en toetsbare communicatie waaraan partijen kunnen deelnemen. Ten slotte maakt Ronald Dworkin inzichtelijk dat rechterlijke oordeelsvorming een interpretatieve praktijk is, waarin de rechter het recht niet slechts toepast, maar mede vormgeeft in het licht van onderliggende principes en rechtvaardigheidsoverwegingen. Conclusie is dan ook dat AI de rechtspleging weliswaar kan ondersteunen, maar niet kan vervangen. Omdat juridische oordeelsvorming meer omvat dan het herkennen van patronen.

Lees hier de hele bijdrage 'AI en de rechtspraak' van Alexander Beekhof & Charlotte de Kluiver die is gepubliceerd in NJB 2026/1127, afl. 21.

Afbeelding: © Getty images