Aanwezigheid

Een van de geheimen van het NJB is dat zijn redactievergaderingen ‘fysiek’ plaatsvinden – een aanduiding die tot 2020 nergens op sloeg, maar intussen eenieder welbekend is. In plaats van uren aan een stuk vanaf een afgemeten vakje op een videobelscherm langs elkaar heen te staren, togen de redactieleden minstens eens per maand naar Den Haag om elkaar daar aan een grote tafel in de ogen te kunnen kijken en binnengekomen kopij van een oordeel te voorzien. En nee, deze fysieke vergaderingen veranderen niet standaard in hybride-gedoe, ‘online aanschuiven’ gebeurt slechts heel uitzonderlijk. Als redactielid kan ik zeggen: het is best intens, op deze manier, maar we moeten het echt niet anders willen. 

Toch snap ik het ook wel, dat verzoek van de Eerste Kamer aan de Afdeling advisering van de Raad van State om voorlichting over de mogelijkheid van een ‘digitaal quorum’, althans voor vergaderingen op andere dagen dan de reguliere vergaderdinsdag. Ook Eerste Kamerleden hebben hun ‘hoofdfunctie elders’ en worden nu juist gewaardeerd vanwege hun input van ‘buiten het Haagse’, met alle praktische beslommeringen van dien. Op 28 september jl. werd de betreffende voorlichting gepubliceerd (W04.26.00164/I). De Afdeling advisering is onverbiddelijk: ‘Het vaststellen van het quorum op deze wijze [door intekenen op afstand; IL] is […] niet in overeenstemming met de Grondwet.’

Hoe zit dat? Artikel 67 lid 1 Grondwet bepaalt dat de Tweede en de Eerste Kamer slechts mogen beraadslagen of besluiten als meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is. Voor de Eerste Kamer betekent dit dat er 38 leden aanwezig moeten zijn. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd expliciet besloten dit quorumvereiste ook voor de beraadslagingen (en dus niet alleen voor besluiten) te handhaven. Beraadslagen en besluiten zijn immers onafscheidelijk, het eerste is nodig voor het laatste. Het quorumvereiste zou legitimiteit verlenen aan allebei – en dus aan de parlementaire democratie als zodanig.

Dat hier in bijzondere omstandigheden van kan worden afgeweken moet volgens de Afdeling advisering eng worden uitgelegd. Hoewel het verzoek van de Eerste Kamer niet zag op digitaal vergaderen, benadrukt de Afdeling het belang van het ‘in persoon deel (kunnen) nemen aan de plenaire vergadering. Het op afstand registeren van aanwezigheid, buiten het Kamergebouw, betekent dat van deze deelname geen sprake kan zijn’. Behalve als het gaat om situaties als de onvoorspelbare coronacrisis (zie de voorlichting over het functioneren van de Eerste Kamer tijdens die crisis uit 2020, W04.20.0102/I), en ‘de continuering van de democratische besluitvorming met alleen het houden van fysieke vergaderingen niet gewaarborgd kan worden, kan, onder bepaalde voorwaarden, worden overgegaan tot digitale mogelijkheden voor een quorum en vergadering’. Bij een incidentele vergadering op een andere dag dan de dinsdag, bijvoorbeeld in aanloop naar het reces of omdat belangrijke, complexe, of politieke gevoelige onderwerpen extra vergaderdagen verlangen, is daarvan geen sprake.

Aanwezigheid is belangrijk, en kent meerdere dimensies. Dat quorum is leuk en aardig, het betekent niet dat Kamerleden vervolgens ook blijven voor de beraadslagingen. Veelal gaan zij elders in het gebouw of daarbuiten verder met andere werkzaamheden en blijft alleen de woordvoerder van de betreffende fractie present. Problematischer is het wanneer een hele fractie verstek laat gaan. Met een quorum dat ‘meer dan de helft’ verlangt en een hele rits kleine(re) fracties is dit verre van denkbeeldig. Uit onderzoek over het parlementair jaar 2024-2025 bleek dat ook een (destijds) grote fractie als die van de PVV (37 zetels) reden zag 286 van de 786 debatten (plenair en in commissies) over te slaan. Daarmee kwam zij als fractie met de meeste zetels bovenaan het lijstje afwezigheid te staan.1 

En dan hebben we het nog niet over fracties of Kamerleden die wel komen, maar weer verdwijnen zodra er een quote of snippet is gescoord waarmee het ‘debat’ – op de socials en met de eigen achterban – kan worden voortgezet. Dat die hele ‘beraadslaging’ nu juist bedoeld is om de standpunten van verschillende partijen voor het voetlicht te brengen en deliberatie daarover mogelijk te maken (met – stel je voor! – misschien zelfs aanpassing van het eigen standpunt tot gevolg), verliezen we dan maar even uit het oog.

Maar er is nog een ‘dimensie’ van aanwezigheid die moet genoemd. Wie wel eens voor de collegebanken heeft gestaan of er zelf in heeft gezeten, kent wel het fenomeen van de fysiek aanwezige student, die met zijn hoofd echter heel ergens anders is. Gevraagd naar zijn antwoord op een opdracht die had moeten worden voorbereid, volgt tegenwoordig in plaats van een ‘Die snapte ik nu juist niet’ steeds vaker een door ChatGPT ingefluisterd en in volzinnen geciteerd antwoord waarvan niet kan worden vastgesteld of de voorlezer het zelf begrijpt.

Uit onderzoek door Investico en de Groene blijkt dat 68 Kamerleden dit jaar spreekteksten uitspraken die grotendeels door AI waren gegenereerd; dit betrof bijna tweederde van de debatten.2 Confrontatie met de bevindingen leidde tot uiteenlopende reacties: sommigen waren geschrokken, anderen vonden het volstrekt normaal.

Zou u, als lezer of auteur van dit blad, het prettig vinden als zijn redactie weliswaar fysiek bijeenkwam, maar tijdens zo’n vergadering niet meer deed dan het uitwisselen van AI-gegenereerde peer reviews van ingestuurde kopij? Ook in de politiek, bij uitstek in de politiek en in een vertegenwoordigende rol, zijn integriteit en authenticiteit cruciaal. Wie de vorming en uitwerking van ideeën uitbesteedt, is slechts vehikel; een bespeelde pop in een poppenkast, in plaats van daadwerkelijk aanwezig in een uitwisseling die de term debat waardig is.

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/1928, afl. 34

Afbeelding: Shutterstock

Over de auteur(s)
Ingrid Leijten
Hoogleraar Nederlands en Europees constitutioneel recht aan Tilburg University