Wetsvoorstel (24-06-2026) tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek, van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering BES in verband met de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en het in het openbaar betuigen van steun aan terroristische organisaties (strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties)
—Doel van het wetsvoorstel is het strafrecht beter toe te rusten voor de bestrijding van terroristische propaganda. Volgens het kabinet vormt terrorisme niet alleen een bedreiging vanwege de aanslagen zelf, maar ook vanwege de ideologieën en boodschappen die terroristische organisaties verspreiden. Vooral door sociale media kunnen dergelijke boodschappen snel een groot publiek bereiken, waarbij met name jongeren kwetsbaar zijn voor radicalisering. Rapportages van de AIVD en de NCTV laten zien dat zowel jihadistische als rechts-terroristische propaganda online gemakkelijk toegankelijk is en een rol speelt bij de radicalisering van jongeren. Het kabinet stelt dat de huidige strafwetgeving niet altijd voldoende mogelijkheden biedt om op te treden tegen uitingen die terroristische misdrijven verheerlijken of steun uitspreken voor terroristische organisaties. Bestaande strafbepalingen, zoals opruiing, haatzaaien en groepsbelediging, vereisen vaak dat sprake is van een oproep tot geweld of van beledigende of discriminerende uitingen waardoor bepaalde vormen van terroristische propaganda buiten het bereik van het strafrecht kunnen blijven.
Nieuwe artikelen
Het wetsvoorstel voegt drie nieuwe artikelen toe aan het Wetboek van Strafrecht:
Artikel 132a Sr – Verheerlijken van terroristische misdrijven
Dit artikel stelt strafbaar het in het openbaar, mondeling, schriftelijk of door middel van afbeeldingen verregaand loven of prijzen van een reeds gepleegd terroristisch misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf staat. Het gaat uitsluitend om de zwaarste terroristische misdrijven. De maximale straf bedraagt twee jaar gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie.
Artikel 132b Sr – Verspreiden van verheerlijkende uitingen
Dit artikel stelt strafbaar het verspreiden van geschriften of afbeeldingen waarin een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 132a Sr wordt verheerlijkt. Het richt zich dus op degene die terroristische propaganda verder verspreidt. Hiervoor geldt een maximale gevangenisstraf van één jaar of een geldboete van de derde categorie.
Artikel 132c Sr – Openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties
Dit artikel stelt strafbaar het in het openbaar betuigen van steun aan een terroristische organisatie wanneer dit gebeurt om te bevorderen dat anderen het terroristische oogmerk van die organisatie gaan delen. Daarbij kan worden gedacht aan het tonen van vlaggen, symbolen of slogans van terroristische organisaties of het publiekelijk uitspreken van waardering voor dergelijke organisaties. Strafbaarheid ontstaat echter alleen wanneer deze steunbetuiging plaatsvindt met het doel anderen ertoe te bewegen het terroristische oogmerk van die organisatie te delen. Daarmee probeert het kabinet te voorkomen dat neutrale, journalistieke of informatieve uitingen onder de strafbaarstelling vallen. De maximale straf bedraagt twee jaar gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie.
Caribisch Nederland
Voor Caribisch Nederland worden de corresponderende artikelen 138b, 138c en 138d Sr BES ingevoerd. Daarnaast worden het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafvordering BES aangepast zodat opsporingsbevoegdheden ook voor deze nieuwe delicten kunnen worden ingezet. Het wetsvoorstel heeft niet alleen een repressief, maar ook een normatief karakter. Het kabinet wil expliciet vastleggen dat het verheerlijken van terroristisch geweld en het openlijk propageren van terroristische organisaties onverenigbaar zijn met de waarden van de democratische rechtsstaat. Door deze gedragingen afzonderlijk strafbaar te stellen, moet duidelijk worden gemaakt dat dergelijke uitingen niet als normale bijdragen aan het publieke debat worden gezien, maar kunnen bijdragen aan radicalisering, maatschappelijke onrust en uiteindelijk terroristisch geweld. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat het wetsvoorstel raakt aan fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en demonstratie en de vrijheid van vereniging. Daarom is bij de vormgeving van het voorstel uitgebreid rekening gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De context waarin een uiting wordt gedaan blijft volgens het kabinet doorslaggevend. Rechters zullen steeds moeten beoordelen of sprake is van een uiting die daadwerkelijk bijdraagt aan terroristische propaganda of radicalisering, of dat sprake is van bijvoorbeeld journalistieke berichtgeving, wetenschappelijke analyse, kunst of satire.
De rechter blijft verantwoordelijk voor het bepalen van een passende straf, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval en de bescherming van grondrechten.
Raad van State
De Raad van State erkent dat het belangrijk is dat de overheid kan optreden tegen de verspreiding van terroristisch gedachtegoed. Tegelijkertijd wijst de Raad van State erop dat het wetsvoorstel raakt aan fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Deze vrijheden zijn essentieel voor een democratische rechtsstaat en mogen niet verder worden beperkt dan strikt noodzakelijk. De Raad van State concludeert dat de voorgestelde strafbaarstellingen op zichzelf niet in strijd lijken met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Wel waarschuwt de Raad van State dat de toepassing ervan in concrete gevallen problematisch kan worden wanneer onvoldoende rekening wordt gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens die rechtspraak moet steeds worden gekeken naar de context van een uiting, de maatschappelijke omstandigheden waarin deze wordt gedaan, de vraag of de uiting direct of indirect tot geweld oproept en het bereik van de uiting. De Raad van State vond dat deze factoren onvoldoende waren uitgewerkt in de toelichting van het wetsvoorstel. Daarnaast was er kritiek op het voorgestelde opzetvereiste bij het verheerlijken van terrorisme. In de oorspronkelijke versie was voorwaardelijk opzet voldoende voor strafbaarheid. Daardoor zou ook iemand strafbaar kunnen zijn die slechts bewust het risico accepteert dat zijn woorden als verheerlijking worden opgevat. Volgens de Raad van State bestond daardoor het risico dat de strafbaarstelling te ruim zou worden toegepast en onvoldoende verband zou houden met het daadwerkelijk aanzetten tot geweld. Daarom adviseerde de Raad van State om strengere eisen te stellen aan het opzet van de dader. Ook de voorgestelde strafmaxima vond de RvS te hoog. Het kabinet wilde aanvankelijk gevangenisstraffen van maximaal drie jaar voor het verheerlijken van terrorisme en het betuigen van steun aan terroristische organisaties en twee jaar voor het verspreiden van dergelijke uitingen. Volgens de Raad van State sloot dit onvoldoende aan bij vergelijkbare uitingsdelicten, zoals groepsbelediging en haatzaaien, waarvoor lagere strafmaxima gelden. Bovendien waarschuwde de Raad van State voor een chilling effect: burgers zouden uit angst voor strafvervolging terughoudender kunnen worden in het deelnemen aan het publieke debat. Ten slotte vroeg de Raad van State aandacht voor de uitvoeringsconsequenties. Omdat veel van de beoogde uitingen online plaatsvinden, zou het wetsvoorstel extra capaciteit vragen van politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak. De RvS wees erop dat digitale opsporing al onder druk staat door personeelstekorten en technische beperkingen en vroeg om een betere onderbouwing van de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk.