Wetsvoorstel (24-06-2026) met Regels in verband met de toepassing van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen ter uitvoering van artikel 19 quinquies van Verordening (EU) 2019/943 en ten behoeve van andere activiteiten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen (Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen voor klimaat en energie)
—Dit wetsvoorstel introduceert het instrument tweerichtingscontracten, een nieuw instrument ter ondersteuning van projecten voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, elektriciteit uit kernenergie en andere projecten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen. De directe aanleiding is het herziening van de Elektriciteitsverordening waarbij een nieuw artikel is ingevoegd, dat bepaalt dat indien een lidstaat staatssteun wil verlenen via directe prijssteunregelingen voor investeringen in bepaalde nieuwe installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en elektriciteit uit kernenergie, hij dit in de vorm van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen dient te doen. Op grond van een dergelijke overeenkomst betaalt een exploitant van een elektriciteitsproductieinstallatie aan de overheid als de marktprijs boven een vooraf afgesproken prijs uitkomt, en ontvangt een exploitant compensatie van de overheid als de marktprijs onder een vooraf afgesproken prijs ligt. Vanaf 17 juli 2027 is het ingevolge de Elektriciteitsverordening niet meer mogelijk om directe prijssteun te verlenen in de vorm van subsidies. Hoewel het Burgerlijk Wetboek in beginsel voldoende juridische grondslag biedt om overeenkomsten te sluiten, is het voor de goede werking van het instrument tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen noodzakelijk om een nadere wettelijke basis te introduceren. Het wetsvoorstel beoogt ook mogelijk te maken dat tweerichtingscontracten kunnen worden toegepast voor andere investeringen of uitgaven dan bedoeld in de Elektriciteitsverordening maar die wel gericht zijn op vermindering van CO2-uitstoot.
De voorgestelde wettelijke regeling wijkt af van het kader dat in de Aanbestedingswet voor de levering van goederen of diensten aan de overheid is neergelegd. De concurrerende biedprocedure zoals deze op grond van dit wetsvoorstel kan worden ingeregeld heeft het karakter van een tender. Voorgesteld wordt dat een biedprocedure voor een of meer tweerichtingscontracten wordt gestart met de bekendmaking van een ministeriële regeling. Bij deze ministeriële regeling wordt een of meer ontwerptweerichtingscontracten gevoegd.
Deze ontwerptweerichtingscontracten zijn geen aanbod in de zin van artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek. Wel wordt de inhoud van een dergelijk ontwerp verbindend. Het wetsvoorstel voorziet in regels voor de bepaling van de rangschikking van biedingen. Een overeenkomst wordt gesloten met de bieder(s) die als hoogste wordt of worden gerangschikt.