Wetsvoorstel (20-04-2026) tot Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke- regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)

—Met het wetsvoorstel wordt beoogd het partnerbegrip voor toeslagen te vereenvoudigen. Om dat te bereiken wordt voorgesteld enkele criteria op basis waarvan burgers als toeslagpartner worden aangemerkt te laten vervallen. Deze criteria leiden er in de huidige situatie toe dat sommige burgers als toeslagpartner worden aangemerkt, terwijl zij in het maatschappelijke verkeer geen partner van elkaar zijn. Door deze criteria te laten vervallen worden onbedoelde en voor betrokkenen onwenselijke toeslagpartnerschappen opgelost. Hiertoe worden de volgende maatregelen voorgesteld:

  • het laten vervallen van het criterium samengestelde gezinnen;
  • het laten vervallen van het criterium ‘partner in het voorafgaande jaar’;
  • het laten vervallen van het criterium ‘partner de rest van het jaar’;
  • het voorkomen dat minderjarigen als toeslagpartner worden aangemerkt.

Daarnaast wordt voorgesteld om de uitzondering voor Oekraïense ontheemden op het begrip ‘medebewoner’ voor de huurtoeslag te laten vervallen als zij in een gasthuishouden verblijven. Ook wordt het partnerbegrip in de wet opgeschoond en beter leesbaar gemaakt, door uitzonderingen te bundelen in lagere regelgeving. Om de budgettaire gevolgen van deze vereenvoudigingen te dekken, worden de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verlaagd per 1 januari 2027. Deze maatregel raakt vooral huishoudens met een relatief hoog vermogen; volgens het kabinet blijft de ondersteuning daarmee gericht op mensen met een lagere draagkracht.

Raad van State

De Afdeling advisering van de Raad van State beschouwt deze vereenvoudiging als een positieve en noodzakelijke stap om het toeslagenstelsel begrijpelijker en beter uitvoerbaar te maken. Tegelijkertijd wijst de Afdeling erop dat vereenvoudiging onvermijdelijk leidt tot grofmaziger regelgeving. Dit kan ertoe leiden dat in sommige situaties toeslagen worden toegekend terwijl er feitelijk wel sprake is van draagkracht binnen een huishouden. De Afdeling acht dit op zichzelf geen reden om van vereenvoudiging af te zien, maar benadrukt dat dit wél aanleiding geeft om de resterende voorwaarden van het stelsel kritisch te heroverwegen. In dat verband adviseert zij om de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget fundamenteler te beoordelen, in plaats van deze uitsluitend aan te passen als budgettaire dekking. Daarnaast plaatst de Afdeling kanttekeningen bij de toetsing aan het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Protocol EVRM). In de memorie van toelichting wordt ervan uitgegaan dat toeslagen als eigendom kwalificeren, maar volgens de Afdeling ontbreekt een onderbouwing van deze voorvraag. Zij adviseert eerst te motiveren of en waarom sprake is van eigendom of gerechtvaardigde verwachtingen, voordat de rechtvaardiging van een eventuele inmenging wordt beoordeeld. Verder heeft de Afdeling aandacht voor de systematiek en consistentie van regelgeving. Het wetsvoorstel brengt het partnerbegrip volledig onder in de Awir en verplaatst uitzonderingen naar een algemene maatregel van bestuur. De Afdeling merkt op dat het partnerbegrip een essentieel element is voor de toegang tot toeslagen en daarom consistent en zorgvuldig op wetsniveau moet worden geregeld. Zij adviseert om de gekozen verdeling tussen wet en amvb te heroverwegen en consequenter toe te passen. Tot slot wijst de Afdeling erop dat de voorgestelde aanpassing voor situaties waarin een partner wordt opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis beter aansluit bij de uitvoeringspraktijk, maar dat een vergelijkbaar knelpunt bestaat in het fiscale partnerbegrip in de AWR. De Afdeling adviseert om in de toelichting expliciet in te gaan op deze samenhang en zo nodig ook daarvoor een wetswijziging voor te stellen. De Afdeling concludeert dat het wetsvoorstel op hoofdlijnen verdedigbaar is, maar adviseert om de genoemde punten te verwerken voordat het voorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Het kabinet neemt het advies deels over en verduidelijkt de memorie van toelichting op de punten eigendomsrecht, consistentie van regelgeving en samenhang met de fiscaliteit. Het kabinet erkent dat een bredere herziening van de vermogenstoets wenselijk kan zijn, maar wil dit in een separaat traject uitwerken om vertraging van dit wetsvoorstel te voorkomen. Het vasthouden aan de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 acht het kabinet noodzakelijk vanwege de ernst van de bestaande knelpunten in het partnerbegrip.

Kamerstukken