Voorstel van Rijkswet (07-04-2025) met Regels met betrekking tot de uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten)

—Dit voorstel van rijkswet strekt ertoe de regels over uitlevering zoals die gelden op Aruba, Curaçao en Sint Maarten op te nemen in een Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Deze voorschriften zijn op dit moment opgenomen in een zelfstandige algemene maatregel van rijksbestuur, namelijk het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Uitleveringsbesluit). De noodzaak voor deze overheveling is gelegen in de Rijkswet van 21 oktober 2023 tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (beperken van de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe (Stb. 2023, 407).

Voorgesteld wordt om de bepalingen in het huidige Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten zonder (grote) inhoudelijke wijzigingen over te hevelen naar een rijkswet. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de regels over uitlevering zoals die gelden op Aruba, Curaçao en Sint Maarten binnen de overgangstermijn van vier jaar die artikel II van de Rijkswet van 21 oktober 2023 stelt voor de toekomst kunnen worden gehandhaafd en legislatief kunnen worden geborgd. Met deze voornamelijk technische omzetting wordt ook beoogd om de bestaande uitleveringspraktijk in Aruba, Curaçao en Sint Maarten zo min mogelijk te belasten met nieuwe voorschriften. Wel zijn enkele nieuwe artikelen toegevoegd, waarin wordt voorgesteld om een aantal uitspraken van de Hoge Raad te codificeren. Het gaat om een aantal weigeringsgronden die nog niet in het huidige Uitleveringsbesluit zijn opgenomen. Het betreft een regeling van ne bis in idem (HR 9 december 2008, HR:2008:BG4204); de grond om een uitleveringsverzoek te kunnen weigeren indien sprake is van discriminatoire vervolging en de beoordeling van het beroep op bijzondere hardheid van de uitlevering voor de opgeëiste persoon (HR 15 november 2005, HR:2005:AU3943); de zogenoemde ‘onschuldbewering’ en de mogelijkheid van het met het oog op het onderzoek daarvan het oproepen van getuigen (HR 25 oktober 2005, HR:2005:AU2698); en er wordt tot uitdrukking gebracht dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het Hof) het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan in zijn uitspraak dient te vermelden (HR 4 oktober 2016, HR:2016:2248). Uit de uitspraken van de Hoge Raad blijkt dat voor de uitleveringsprocedure in Aruba, Curaçao en Sint Maarten op deze punten dient te worden aangesloten bij het systeem van de (Nederlandse) Uitleveringswet. Voorgesteld wordt om een equivalent van de desbetreffende bepalingen uit de Uitleveringswet die op dit moment in het Uitleveringsbesluit ontbreken, maar die op grond van de jurisprudentie zonder twijfel ook voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten moeten gelden, op te nemen in deze rijkswet.

Het eindoordeel over het inroepen van bepaalde weigeringsgronden is voorbehouden aan de Gouverneur. Het inroepen van andere weigeringsgronden is aan het Hof bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande verdeling van verantwoordelijkheden ten aanzien van het inroepen van de weigeringsgronden tussen de Gouverneur enerzijds en het Hof anderzijds. Er wordt niet beoogd een verandering aan te brengen in de huidige bevoegdheidsverdeling. Aanvullend wordt voorgesteld om – in lijn met het door het Koninkrijk gemaakte voorbehoud bij artikel 1 van het op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) (Trb. 1969, 62 en Trb. 2013, 131) – een regeling over verstekvonnissen toe te voegen, alsmede om een expliciete grondslag voor het kunnen toepassen van videoconferentie op te nemen.

Kamerstukken

R2219