Wetsvoorstel (01-04-2026) tot Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000
—Het kindgebonden budget is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor lagere en middeninkomens. Doel is het bevorderen van de ontplooiingskansen van kinderen en het voorkomen van kinderarmoede. De afgelopen jaren hebben intensiveringen en koopkrachtmaatregelen eraan bijgedragen dat de kindbedragen van het kindgebonden budget fors zijn verhoogd. De meest recente verhogingen dateren uit 2025. De verhogingen van het kindgebonden budget droegen bij aan de koopkrachtondersteuning voor gezinnen met kinderen en verlaagden de kinderarmoede. Tegelijkertijd ontvangen door die verhogingen ook steeds meer gezinnen die minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming kindgebonden budget. Dat is niet doelmatig. Vanwege de budgettaire opgave van de SZW-begroting wordt het kindgebonden budget weer meer gericht op de oorspronkelijke doelgroep: de lage en middeninkomens. Om dit te bereiken wordt het afbouwpercentage verhoogd voor het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) voor zowel alleenstaanden als toeslagpartners. Dit betekent dat vanaf het toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024) de aanspraak op kindgebonden budget sneller wordt afgebouwd. Vanaf dit nieuwe afbouwpunt wordt het afbouwpercentage in twee stappen verhoogd met 4,30 procentpunt naar 12,35% in 2027 en naar 12,80% in 2028. Deze snellere afbouw geldt voor paren als ook voor alleenstaande ouders. Een hoger afbouwpercentage voor het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) zorgt ervoor dat gezinnen met hogere inkomens vanaf 1 januari 2027 een lager bedrag aan kindgebonden budget ontvangen of het recht op kindgebonden budget verliezen. Gezinnen met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) komen naast het kindgebonden budget doorgaans alleen nog in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.