Voorstel van Rijkswet (01-07-2026) tot Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
—In het belang van de nationale veiligheid kan het noodzakelijk zijn om het Nederlanderschap in te trekken van Nederlanders die zich in het buitenland hebben aangesloten bij een terroristische organisatie om hen permanent te weren uit ons Koninkrijk, zodat legale terugkeer naar het Koninkrijk onmogelijk wordt gemaakt en illegale terugkeer wordt bemoeilijkt. De bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid is op 1 maart 2017 geïntroduceerd met de Rijkswet van 10 februari 2017. Als gevolg van een horizonbepaling vervalt de bevoegdheid op 1 maart 2027. Dit wetsvoorstel schrapt die bepaling zodat de bevoegdheid niet vervalt en permanent behouden blijft. Dit wetsvoorstel strekt niet tot enige inhoudelijke wijziging. De voorwaarden voor en de gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid blijven dus ongewijzigd.
Aantal intrekkingen
Sinds de inwerkingtreding van artikel 14 lid 4 RWN is 25 keer gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. In twee gevallen is het besluit tot intrekking door de bestuursrechter vernietigd, omdat niet kon worden aangetoond dat de betrokkene op of na 11 maart 2017 was aangesloten bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie. Dit heeft ertoe geleid dat in vijf andere, vergelijkbare zaken is besloten het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in te trekken. Daarnaast heeft de bestuursrechter in twee andere zaken het besluit vernietigd. Vijftien van de intrekkingen zijn inmiddels definitief en één intrekking bevindt zich op moment van indiening van dit wetsvoorstel in de beroepsfase bij de rechtbank.
Advies Afdeling advisering RvS
De Afdeling merkt op dat niet blijkt waarom het noodzakelijk is de intrekkingsbevoegdheid te behouden. Zo is niet duidelijk waarom de nationale veiligheid niet al voldoende kan worden beschermd met andere maatregelen, zoals die uit het strafrecht. Ook is niet duidelijk welke toegevoegde waarde de intrekkingsbevoegdheid heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, waarop het wetsvoorstel ook van toepassing is. De Afdeling adviseert van het voorstel tot het permanent maken van de bevoegdheid af te zien of er voor te kiezen de intrekkingsbevoegdheid met vijf jaar te verlengen. De regering vindt het van onverminderd belang om de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap te behouden, ook dat deze ook toepasbaar moet zijn op Nederlanders die voor hun uitreis woonachtig waren in de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten. En ook dat alleen door een permanentmaking de intrekking van het Nederlanderschap een vast onderdeel kan worden van het instrumentarium om terrorisme te bestrijden en ons land veilig te houden.
Kamerstukken
R2222