Initiatiefwetsvoorstel (23-04-2026) van de leden Keijzer, Claassen en Clemminck tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
—Gemeenten hebben een wettelijke taak om vergunninghouders (statushouders) te huisvesten. In de praktijk gebeurt dit veelal via voorrang op sociale huurwoningen. De initiatiefnemers achten deze voorrangspositie niet langer maatschappelijk uitlegbaar in een situatie van grote schaarste en stellen dat deze voorrang bijdraagt aan ervaren verdringing en maatschappelijk ongenoegen.
Doel en hoofdlijnen van het voorstel
De kern van het voorstel is het beëindigen van wat de initiatiefnemers beschouwen als positieve discriminatie van vergunninghouders . De voorgestelde wijziging van de Huisvestingswet 2014 houdt in dat:
- gemeenten geen voorrang of urgentie meer mogen verlenen uitsluitend op grond van het feit dat iemand vergunninghouder is;
- vergunninghouders gelijke toegang houden tot woonruimte als andere woningzoekenden;
- voorrang op andere gronden (zoals medische urgentie, dakloosheid, passendheid of economische en maatschappelijke binding) mogelijk blijft, mits deze voor iedereen gelijk geldt;
- er een tijdelijke uitzondering van één jaar geldt na inwerkingtreding, waardoor gemeenten vergunninghouders met voorrang in onzelfstandige woonruimte (bijvoorbeeld woningdelen of doorstroomlocaties) mogen huisvesten. Dit moet de uitstroom uit de asielopvang ondersteunen en gemeenten tijd geven zich aan te passen.
Huisvestingsopties voor vergunninghouders
Vergunninghouders worden geacht, net als andere woningzoekenden, gebruik te maken van reguliere routes: Inschrijving bij woningcorporaties en woonruimteverdeelsystemen;
Huur in de particuliere sector (ook onzelfstandig, zoals kamers of hospitaverhuur); Huisvesting via eigen netwerk of familie; Huisvesting via werk of werkgever; Doorstroomlocaties en woningdelen (met tijdelijke stimulans).
Gevolgen en risico’s
De indieners erken dat het voorstel risico’s en nadelen kent: zoals mogelijk langer verblijf in asielopvang voor vergunninghouders, Hogere opvangkosten (geschat € 27.000 - € 55.000 per persoon per jaar), risico’s voor integratie, inburgering en participatie, doordat stabiele huisvesting later beschikbaar komt, kwetsbaarheid voor misstanden op de particuliere huurmark en extra uitvoeringsdruk voor gemeenten zolang de taakstelling nog geldt. Het COA en veel gemeenten waarschuwen dat de uitstroom uit opvang kan stagneren en dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor gezondheid, welzijn en kansen op de arbeidsmarkt.
Juridische en mensenrechtelijke beoordeling
Volgens de initiatiefnemers is het voorstel verenigbaar met nationaal en internationaal recht (Grondwet, EVRM, Kwalificatierichtlijn, IVRK). Het recht op huisvesting blijft een inspanningsverplichting; er is geen individueel recht op een woning. Het verbod beoogt gelijke behandeling door het beëindigen van wat zij zien als positieve discriminatie, terwijl urgentie op algemene gronden mogelijk blijft.
Gelijke behandeling en kinderen
Het verbod maakt een indirect onderscheid naar nationaliteit/etniciteit, maar de initiatiefnemers achten dit gerechtvaardigd ter beëindiging van ongelijke behandeling in de huidige praktijk. Voor gezinnen en kinderen geldt dat gemeenten nog steeds urgentie kunnen verlenen op algemene gronden (bijvoorbeeld dreigende dakloosheid of medische nood), mits dit niet exclusief voor vergunninghouders gebeurt.
Fasering
Voorbereidingsfase tot 1 juli 2026 (uitbreiding woningvoorraad, gemeentelijke voorbereiding).
Implementatiefase 1 jaar met tijdelijke uitzondering voor onzelfstandige woonruimte. Vanaf juli 2027 volledige normalisatie zonder voorrang op basis van status.