Wetsvoorstel (01-04-2026) tot Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)
—De richtlijn diende op 20 november 2025 in nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op 20 november 2026. Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de richtlijn. Daarnaast bevat het voorstel enkele onderdelen die niet direct voortvloeien uit de richtlijn, maar wel aanvullend en noodzakelijk zijn voor het behalen van de richtlijndoelstellingen. Het gaat allereerst om een verbod om bepaalde vormen van krediet aan te bieden aan minderjarigen en de bijbehorende verplichting tot verificatie van de leeftijd van de consument. Ook worden enkele uitzonderingen van het toepassingsgebied van de richtlijn, niet of niet volledig overgenomen. Zo wordt niet overgenomen dat er een bovengrens geldt voor het toepassingsbereik, namelijk voor kredietovereenkomsten met een som van meer dan € 100.000. Ook grotere kredietovereenkomsten vallen daarmee onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel, zoals ook nu het geval is. Daarnaast worden platforms die zelf, zonder gebruik van een derde, kredietovereenkomsten aanbieden in de vorm van uitstel van betaling, niet uitgezonderd van het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel. Voorts blijft effectenkrediet gereguleerd onder een maatwerkregeling. Tot slot bevat het wetsvoorstel een wettelijke grondslag om bij uitzondering en onder strikte voorwaarden bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken in het kader van kredietwaardigheidsbeoordeling.
Ratio nieuwe regeling
Uit de evaluatie van de vroegere richtlijn (CCDI (Consumer Credit Directive I)) bleek dat het bestaande kader onvoldoende was toegerust op digitalisering, nieuwe distributiekanalen en opkomende kredietvormen zoals ‘koop nu, betaal later’ (BNPL), terwijl onduidelijke bepalingen aanleiding gaven tot uiteenlopende nationale uitvoeringspraktijken en rechtsonzekerheid. De richtlijn is gebaseerd op het beginsel van maximumharmonisatie. Dit betekent dat lidstaten de geharmoniseerde regels niet mogen aanscherpen of versoepelen, tenzij de richtlijn daarin expliciet voorziet. Dit uitgangspunt is leidend geweest bij de implementatiekeuzes in het wetsvoorstel. Tegelijkertijd maakt de wetgever gebruik van diverse lidstaatopties, onder meer bij de afbakening van het toepassingsbereik en de proportionaliteit van informatieverplichtingen.
Wijzigingen
Een wezenlijke wijziging betreft de uitbreiding van het materiële toepassingsbereik van het consumentenkredietrecht. Waar de CCDI diverse uitzonderingen kende, brengt de herziene richtlijn ook kortlopende en relatief goedkope kredietvormen onder het regime. Dit wetsvoorstel implementeert dit door aanpassing van artikel 1:1 en 1:20 Wft, alsmede Titel 2a van Boek 7 BW. Daardoor vallen onder meer BNPL-diensten, kaarten met uitgestelde debitering en bepaalde huur- of leaseconstructies met koopoptie onder het toezicht- en beschermingsregime. De wetgever heeft ervoor gekozen facultatieve uitzonderingen uit de richtlijn slechts beperkt toe te passen om te voorkomen dat economisch vergelijkbare kredietproducten leiden tot een ongelijk beschermingsniveau. Een kernpunt van het wetsvoorstel is de bescherming van minderjarigen. In artikel 4:34b Wft wordt een publiekrechtelijk verbod opgenomen om krediet in de vorm van uitstel van betaling aan minderjarigen aan te bieden. Dit verbod geldt ongeacht toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger en wordt civielrechtelijk geflankeerd door het nieuwe artikel 7:75, lid 4 BW, dat bepaalt dat dergelijke overeenkomsten vernietigbaar zijn. Voor andere vormen van consumentenkrediet blijft artikel 1:234 BW leidend, waarbij het wetsvoorstel verduidelijkt dat toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger ondubbelzinnig en aantoonbaar moet zijn. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een verplichting voor kredietaanbieders om effectieve leeftijdsverificatie toe te passen.
Kredietwaardigheid
Ook de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt aanzienlijk aangescherpt. Artikel 4:34 Wft wordt gewijzigd en aangevuld, terwijl artikel 4:34a Wft nieuwe vereisten introduceert voor krediet, niet zijnde hypothecair krediet. De kredietwaardigheidsbeoordeling moet plaatsvinden in het belang van de consument en gericht zijn op het voorkomen van overkreditering. De toets moet gebaseerd zijn op relevante en proportionele gegevens over inkomsten en uitgaven, in relatie tot aard, looptijd en risico’s van het krediet. Het gebruik van gegevens uit digitale sociale netwerken is uitgesloten. Tevens wordt vastgelegd dat bijzondere categorieën persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 AVG niet mogen worden gebruikt, behoudens een beperkte wettelijke grondslag voor technische verwerking ten behoeve van het schonen van gegevens voorafgaand aan de beoordeling.
Informatieverplichtingen
De richtlijn en het wetsvoorstel versterken daarnaast de informatieverplichtingen jegens consumenten. De regels omtrent precontractuele informatie worden aangepast in onder meer de artikelen 7:60 en 7:61 BW, waarbij het ESIC-formulier een centrale rol blijft spelen. Informatie moet duidelijk, beknopt en begrijpelijk zijn en geschikt voor digitale verstrekking. Voor bepaalde categorieën kredieten, zoals kredieten tot € 200 of kortlopende renteloze kredieten, maakt Nederland gebruik van de lidstaatoptie om een proportioneel lichter informatie-regime toe te passen.
Gevolgen
Voor kredietaanbieders en kredietbemiddelaars heeft het wetsvoorstel aanzienlijke gevolgen. Nieuwe aanbieders worden vergunning- of registratieplichtig op grond van de artikelen 2:60 en 2:81 Wft en komen onder gedragstoezicht van de AFM te staan. Voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die slechts in nevenactiviteit bemiddelen in krediet, is een vrijstelling opgenomen ter beperking van de regeldruk. Grote platforms en webwinkels die structureel krediet aanbieden, vallen echter expliciet onder het toezichtregime. Voorts wordt de AFM een productinterventiebevoegdheid toegekend waarmee zij in uitzonderlijke situaties schadelijke kredietproducten of marktpraktijken kan beperken of verbieden. Voor consumenten leidt het wetsvoorstel tot een versterking van zowel de publiekrechtelijke als civielrechtelijke bescherming. Door de uitbreiding van het toepassingsbereik en de aansluiting van nieuwe aanbieders bij het stelsel van kredietregistratie (artikel 4:32 Wft en de toekomstige Wet stelsel kredietregistratie) ontstaat een vollediger beeld van schulden en betalingsverplichtingen. Toezicht, handhaving en evaluatie
Ten slotte regelt het wetsvoorstel toezicht, handhaving en rechtsbescherming. De AFM is belast met het gedragstoezicht en bestuursrechtelijke handhaving op grond van de Wft en de Wet handhaving consumentenbescherming, terwijl civielrechtelijke handhaving plaatsvindt via de rechter en buitengerechtelijke geschilbeslechting via het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening. De Autoriteit Persoonsgegevens blijft toezichthouder op de verwerking van persoonsgegevens. Zowel op Europees als op nationaal niveau is voorzien in evaluatie, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar de werking van het leeftijdsverbod en de kredietwaardigheidsbeoordeling.