Wet van 24-06-2026, Stb. 2026, 170

Wet tot wijziging van de Wet langdurige zorg in verband met de aanvraag van een Wlz-indicatie door familie

—Deze wet wijzigt de Wet langdurige zorg (Wlz) om het mogelijk te maken dat familieleden een Wlz‑aanvraag kunnen indienen wanneer de verzekerde dit zelf niet meer kan en er geen wettelijk vertegenwoordiger of schriftelijk gemachtigde is. In de huidige situatie ontstaat regelmatig het probleem dat mensen die langdurige zorg nodig hebben, zoals cliënten met dementie of andere ernstige beperkingen, zelf niet meer in staat zijn een aanvraag te doen. Als er geen vertegenwoordiging is geregeld, kan er dan geen Wlz‑indicatie worden afgegeven, waardoor de toegang tot passende zorg onnodig wordt vertraagd. Dit leidt tot praktische knelpunten voor het CIZ, zorgaanbieders en familieleden, en tot situaties waarin cliënten niet de zorg ontvangen die zij nodig hebben. Met deze wet wordt geregeld dat een Wlz‑aanvraag namens de verzekerde kan worden gedaan door de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, of – als deze ontbreken of niet optreden – door andere familieleden zoals ouders, kinderen, broers, zussen, grootouders of kleinkinderen. Daarbij blijft de bestaande procedure van het CIZ volledig van kracht: het CIZ beoordeelt altijd zelfstandig of de verzekerde in aanmerking komt voor Wlz‑zorg en onderzoekt of de verzekerde in staat is de gevolgen van de aanvraag te overzien. De aanvraag zelf heeft geen automatische rechtsgevolgen; pas na een indicatieonderzoek neemt het CIZ een besluit dat wél gevolgen kan hebben, zoals het toekennen van zorg of het bepalen van een eigen bijdrage.

Inwerkingtreding

Inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Kamerstukken