Wet van 18-06-2026, Stb. 2026, 158

Wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief

—Deze wet is begonnen als het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden. Bij nota van wijziging (nr. 6) is het oorspronkelijk voorgestelde onderdeel ‘verduidelijking van de beoordeling van het ‘werken in dienst van’ komen te vervallen vanwege de onrust en discussie die daaromtrent ontstonden en de noodzaak om toch snel enig houvast te bieden. Van het oorspronkelijke wetsvoorstel is de invoering van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief uiteindelijk in onderhavige wet over gebleven. De introductie van het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) gemakkelijker om hun rechtspositie op te eisen bij werkgevers en indien nodig bij de rechter. Als zzp’ers een beroep doen op het rechtsvermoeden moeten opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kunnen ze dat niet, dan is sprake van schijnzelfstandigheid en heeft een zzp’er ook recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.

Inwerkingtreding

Inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Kamerstukken