In dit proefschrift onderzoekt Roy Poelstra in hoeverre het Nederlandse stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming nog leidt tot rechtvaardige uitkomsten. Centraal staat de premisse dat collectief overleg tussen vakbonden en werkgevers(organisaties) een behoorlijk proces vormt, en dat de resultaten daarvan daarom als rechtvaardig kunnen worden beschouwd. Deze premisse staat echter onder druk door een aantal structurele ontwikkelingen. Zo is de organisatiegraad van vakbonden in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald, terwijl de cao-dekkingsgraad relatief hoog is gebleven. Deze spanning roept vragen op over de representativiteit en legitimiteit van vakbonden als onderhandelingspartners. Daarnaast is het ledenbestand van de vakbeweging minder representatief geworden voor de beroepsbevolking als geheel. Tegelijkertijd doen zich verschuivingen voor in het collectieve overleg door de opkomst van nieuwe spelers, zoals ondernemingsraden en kleinere of alternatieve vakbonden. In dat kader worden met name de onafhankelijkheid en representativiteit van betrokken actoren steeds vaker ter discussie gesteld. Deze ontwikkelingen roepen de vraag op in hoeverre het collectieve overleg nog kan worden beschouwd als een behoorlijk proces dat tot rechtvaardige uitkomsten leidt. Geïnspireerd door het werk van John Rawls (A Theory of Justice) ontwikkelt Poelstra een normatief kader van procedurele rechtvaardigheidsbeginselen voor het collectieve arbeidsvoorwaardenoverleg. Uitgangspunt is dat wanneer het overlegproces voldoet aan bepaalde procedurele rechtvaardigheidsbeginselen, ook de uitkomsten daarvan in beginsel als rechtvaardig kunnen worden beschouwd. Het proefschrift operationaliseert deze benadering door vijf procedurele rechtvaardigheidsbeginselen te operationaliseren waaraan een rechtvaardig collectief arbeidsvoorwaardenoverleg moet voldoen: verenigingsvrijheid, collectief onderhandelen en contracteren, collectieve actie, onafhankelijkheid en representativiteit. De analyse laat zien dat het Nederlandse stelsel in veel opzichten nog steeds waarborgen biedt voor procedurele rechtvaardigheid. Tegelijkertijd blijkt het systeem kwetsbaar. Deze kwetsbaarheid hangt samen met structurele ontwikkelingen binnen het arbeidsbestel, zoals de eerdergenoemde spanning tussen een lage vakbondsorganisatiegraad en een hoge cao-dekkingsgraad, een krimpend en minder representatief ledenbestand van de vakbeweging, de afname van het regelingsbereik van cao-afspraken en de toenemende rol van alternatieve vormen van werknemersvertegenwoordiging. Hierdoor komen de representativiteit, onafhankelijkheid en onderhandelingskracht van betrokken actoren onder druk te staan. Daarnaast blijkt dat de betrokkenheid van nieuwe spelers niet in alle gevallen in overeenstemming is met de geformuleerde rechtvaardigheidsbeginselen, wat de rechtvaardigheid van het overleg verder onder druk kan zetten. Het proefschrift concludeert dat het Nederlandse stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming nog steeds functioneert als een belangrijk mechanisme voor het realiseren van rechtvaardige arbeidsvoorwaarden, maar dat de legitimiteit en duurzaamheid van het systeem niet vanzelfsprekend zijn. Indien de gesignaleerde spanningen niet worden geadresseerd, dreigt het systeem op termijn aan draagvlak en stabiliteit te verliezen.
Daarmee levert dit onderzoek, op het snijvlak van politieke filosofie en arbeidsrecht, een bijdrage aan het debat over de legitimiteit en toekomst van het collectieve arbeidsvoorwaardenoverleg in Nederland.
Poelstra promoveerde op 29 mei 2026 aan de Universiteit van Amsterdam. Promotores: prof. dr. Evert Verhulp en prof. dr. Paul de Beer.
Roy Poelstra
Procedurele rechtvaardigheid als grondslag van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg. Een filosofische en juridische analyse van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in Nederland
WJS Uitgevers 2026, 312 p., € 79
ISBN 978 94 9345 853 6