Tijd voor realisme als nieuw ideaal?

Toeval bestaat niet. De VAR vergaderde op 8 mei over de vraag of het bestuursrecht vastloopt, terwijl de NJV op 12 juni a.s. de Uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving onder druk centraal stelt.1 Rond de jaarwisseling verscheen al een notitie (Naar een realistische overheid) waarin de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de vicepresident van de Raad van State signaleren dat steeds vaker plannen worden aangekondigd waarvan vooraf duidelijk is dat zij niet waargemaakt kunnen worden, omdat mensen en/of middelen ontbreken, de uitvoering er onvoldoende bij is betrokken of omdat de plannen tegen uit wetten en verdragen voortvloeiende grenzen aanlopen. Dat zet behalve de relatie tussen overheid en burger ook de verhoudingen tussen de instituties van de democratische rechtsstaat onder druk. 

Voorbeelden genoeg: uiteraard ‘asiel’, ‘stikstof’ en de ‘hersteloperatie toeslagenaffaire’, maar ook de (implementatie van de) Omgevingswet, de (door handhavingsmoratoria gedomineerde) regelgeving omtrent (schijn)zelfstandigheid en de doorgeschoten antiwitwaswetgeving. Het is ook geen nieuw geluid. Zeker de afgelopen jaren wordt, o.m. in de Staat van de Uitvoering,2 in verband met toegenomen regeldruk en steeds complexere regelgeving het belang van uitvoerbare regelgeving benadrukt. Uitvoerbaarheidsproblemen frustreren uitvoeringsorganisaties, laten bestuurlijk Nederland vastlopen en leveren in extremis ongekend onrecht op. Uiteindelijk wordt ook het gezag van de overheid en het vertrouwen in de democratische rechtsstaat aangetast. Volgens de eerste Staat van de wetgevingskwaliteit, een periodieke beschouwing die we danken aan de toeslagenaffaire, is uitvoerbare wetgeving essentieel voor het vertrouwen in de rechtsstaat (Kamerstukken II 2024/25, 36600 VI, nr. 27).

Het is niet aan dovemansoren gericht. In Aan de slag laat ook de coalitie de term ‘regeldruk’ vaak vallen en wemelt het van ‘complexiteit’, ‘complexe regels’ en (varianten op) ‘vereenvoudigen’. Eén van de zes ministeriële taskforces van ‘Jetten’, de ‘taskforce Slagvaardige Overheid’, heeft als primaire opdracht ‘het fundamenteel vereenvoudigen van beleid en regelgeving’. Het probleem van te complexe en onuitvoerbare regelgeving wordt dus ook door hoofdrolspelers herkend.

Mede geïnspireerd door de thematische preadviezen van Tjepkema & Kuipers (hersteloperaties), Doorenbos (antiwitwaswetgeving) en Houweling (arbeidsrecht in een sterk veranderend Umfeld), constateert Van der Staaij in zijn overkoepelende NJV-preadvies dan ook dat er aan goede wil en goede voornemens geen gebrek is en eigenlijk ook niet aan richtsnoeren (Aanwijzingen voor de regelgeving, Beleidskompas) en kritische ogen in dit verband (Adviescollege toetsing regeldruk, Afdeling advisering).

Waarom is het dan toch zo moeilijk de daad bij het woord te voegen? Het heeft veel te maken met het ‘doenvermogen’ van de ‘overheid’. Dat vermogen wordt bepaald door de bestuurlijke werkelijkheid (meerlagige rechtsorde, politieke verdeeldheid, verminderde kiezerstrouw), door maatschappelijke en politieke wensen en verwachtingen (maatschappelijke verontwaardiging leidt tot nieuwe regels, de burger wil daadkracht zien (risicoregelreflex, compensatiereflex)) en door het ontbreken van voldoende inzicht bij politiek en rechtspraak in de gevolgen van complexe regelgeving voor de uitvoering. Vergelijkbare inzichten bieden VAR-preadviseurs Zouridis & Beers. Volgens hen is (in het bestuursrecht) veel te verklaren door de logica waarin wetgevers, politici, bestuurders en ook rechters gevangen zitten. Zij wijzen daarbij op een vijftal ‘vastloopmechanismen’: tekentafellogica en ambitievalkuilen, schaarsteblindheid en decontextualisering, reputatie voor prestatie, een hyperresponsieve overheid en gemaskeerde onmacht. Uiteindelijk maken zij zich sterk voor ‘new realism’ onder bestuursjuristen en voor een realistische in plaats van een idealistische rechtsstaat. Om genoemde ‘logica’ te doorbreken stellen zij een waakhond voor wegwerprecht voor, meer buffers in de regelproductie en een échte dialoog tussen de staatsmachten die alleen tot stand komt als wetgever en rechter zich meer in de uitvoerende macht verplaatsen en vice versa.

Ook Van der Staaij predikt realisme. Het lijkt hem verstandig ervan uit te gaan dat ingewikkelde regels die druk op de uitvoering geven zullen blijven bestaan. Tegelijkertijd wijst hij ‘drie sporen van aanpak’ aan. Het eerste is het versterken van de uitvoering ten opzichte van het beleid, zodat een cultuur ontstaat waarin de uitvoerbaarheid serieus wordt genomen. Het tweede spoor is het koersvast streven naar minder regels. ‘Den Haag’ moet stoppen met ‘centralistisch micro-management’ en ‘de onstuitbare regeldrift intomen’. Te grote verwachtingen moeten worden beteugeld en het eigen ‘doenvermogen’ goed ingeschat: wat kan de overheid wél en wat niet? Daarbij zijn pijnlijke keuzes onvermijdelijk. Ook bestaande regelcomplexen moeten vereenvoudigd, in behapbare stappen, met oog voor verwevenheid van regelgeving. Dat kan daarom geen haastklus zijn. Het derde spoor is ook bij Van der Staaij het ‘meer leren van elkaar’.

Het is niet opmerkelijk, wel prettig, dat Zouridis & Beers en Van der Staaij een vergelijkbare diagnose stellen én een zelfde soort behandeling voorschrijven. Wat wél opvalt, zeker in deze ‘snelle’ door disrupties bepaalde tijden, is de gedeelde nadruk op het ontbreken van een toverstokje of een quick fix. We staan volgens beide preadviezen voor een project van lange adem waarin enkel kleine doordachte stappen vooruitgang zullen brengen. Dat we bijvoorbeeld toch ‘gewoon’ afstand zouden kunnen nemen van de overheersende filosofie van verantwoording en controle om zo niet alleen vertrouwen in de burger voorop te stellen maar ook ‘het veld’ manoeuvreerruimte te geven, is kennelijk te simpel geredeneerd.

Zo zien we in een bestek van zes maanden een pleidooi van Hoge Colleges van Staat voor een realistische overheid, een blauwdruk voor een realistische rechtsstaat in een VAR-preadvies en een realistisch perspectief op het waarborgen van uitvoerbare wet- en regelgeving in datzelfde werkstuk én in een NJV-preadvies voorbijkomen. Dat zegt iets. Realisme als nieuw ideaal. Wat ook de pleitbezorgers bezig zal houden, is de vraag of de tijd hen werkelijk vergund is.

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/965, afl. 18

Afbeelding: © istock

Voetnoten


1 Zouridis e.a., Loopt het bestuursrecht vast?, Den Haag 2026 en Tjepkema e.a., De uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving onder druk, Deventer 2026.

2 staatvandeuitvoering.nl.

Over de auteur(s)
Author picture
Ton Hartlief
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht