Voorstel van Rijkswet (18-09-2026) tot goedkeuring van het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving; (Verdrag van Faro, 27 oktober 2005, (Trb. 2025, nr. 15))
– Het Verdrag van Faro, dat in 2005 tot stand kwam, wordt ter stilzwijgende goedkeuring voorgelegd. Het verdrag legt de nadruk op de maatschappelijke waarde van cultureel erfgoed en op de betrokkenheid van burgers bij de omgang daarmee. Anders dan eerdere erfgoedverdragen richt Faro zich niet primair op bescherming en behoud, maar op de relatie tussen mensen, gemeenschappen en erfgoed. Centraal staat het uitgangspunt dat iedereen het recht heeft betrokken te zijn bij cultureel erfgoed van zijn of haar keuze, met respect voor de rechten en vrijheden van anderen. Erfgoed wordt daarbij gezien als een dynamisch en voortdurend sociaal proces waarin burgers, erfgoedgemeenschappen en professionals gezamenlijk betekenis geven aan het verleden. Erfgoed kan bovendien bijdragen aan maatschappelijke doelen zoals sociale cohesie, participatie, welzijn, duurzame ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit.
Volgens de regering sluit het verdrag goed aan bij ontwikkelingen die al gaande zijn in Nederland. In de Nederlandse erfgoedpraktijk groeit de aandacht voor participatie, gedeelde verantwoordelijkheid en een breder erfgoedbegrip waarin ook immaterieel erfgoed, mondelinge geschiedenis en alledaags erfgoed een plaats hebben. Het verdrag ondersteunt deze ontwikkeling en stimuleert dat burgers meer kunnen meedenken, meedoen en meebeslissen over erfgoedbeleid. Sinds 2019 heeft Nederland de betekenis van het verdrag uitgebreid verkend. Dit leidde onder meer tot de Uitvoeringsagenda Faro en verschillende projecten die erfgoedparticipatie bevorderen. Voor de periode 2023-2026 is € 6 miljoen beschikbaar gesteld om het gedachtegoed van Faro verder in de praktijk te brengen. Onder meer via erfgoedparticipatiecoaches, subsidieregelingen en netwerken voor kennisdeling wordt gewerkt aan een sterkere betrokkenheid van burgers en erfgoedgemeenschappen. De reacties van betrokken organisaties zijn overwegend positief. De VNG, het IPO, de Raad voor Cultuur en vertegenwoordigers van het erfgoedveld zien het verdrag als een waardevolle aanvulling op het bestaande beleid. Zij benadrukken het belang van participatie, een inclusieve benadering van erfgoed, samenwerking tussen overheden en gemeenschappen en structurele financiering voor de uitvoering.
Een belangrijk punt is dat het verdrag geen rechtstreeks afdwingbare rechten creëert. Burgers kunnen zich niet rechtstreeks voor de rechter op de bepalingen beroepen. Het verdrag bevat vooral beleidsmatige doelstellingen en verplicht staten om, waar nodig, passende wet- en regelgeving en beleidsmaatregelen te ontwikkelen. De regering vraagt goedkeuring van het verdrag voor het gehele Koninkrijk. Nederland zal het verdrag laten gelden voor Europees en Caribisch Nederland. Aruba heeft al aangegeven medegelding te wensen; Curaçao en Sint Maarten beraden zich daar nog op. Aanvaarding van het Verdrag van Faro moet volgens de regering bijdragen aan een erfgoedbeleid waarin erfgoed niet alleen wordt beschermd, maar vooral ook wordt ingezet als maatschappelijke hulpbron en als middel om burgers actief te betrekken bij hun leefomgeving en geschiedenis.
Kamerstukken
R2229
- TK 2026/27, 37032, nr. 1
- TK 2026/27, 37032, nr. 2
- EK 2026/27, 37032, nr. A