Wetsvoorstel (31-08-2026) tot Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Toeslagenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Ziektewet in verband met het vereenvoudigen en beter uitvoerbaar maken van de toets op de re-integratieinspanningen, de kwijtschelding en financiering van voorschotten en enkele andere wijzigingen (Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling)
—Er zijn situaties waarin de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd, maar waarbij de verzekeringsarts van UWV het niet eens is met die adviezen. Gevolg daarvan kan zijn dat een werkgever, die uitvoering heeft gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts, toch een loonsanctie van UWV kan krijgen. Dat gevolg acht de regering slecht uitlegbaar en wordt door werkgevers ervaren als onrechtvaardig. Het benutten van de re-integratiemogelijkheden die binnen het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid passen valt binnen de invloedsfeer van de werkgever om aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. Het risico dat een verzekeringsarts een andere inschatting maakt dan de bedrijfsarts valt buiten die invloedsfeer. Dit wetsvoorstel biedt een oplossing voor dat knelpunt.
Werkgever en werknemer hebben in de eerste twee ziektejaren het primaat van verzuimbegeleiding en re-integratie, waarbij zij zich moeten laten ondersteunen door een gecertificeerde arbodienst of bedrijfsarts. Bij de aanvraag van een WIA-uitkering door de werknemer dient deze een re-integratieverslag (RIV) te overleggen met een weergave van de ondernomen re-integratie-inspanningen door werkgever en werknemer. UWV beoordeelt conform de Wet verbetering poortwachter op grond van het re-integratieverslag of de werkgever en de werknemer samen voldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht, de RIV-toets. Tijdens de RIV-toets, aan het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode, kan een verzekeringsarts van UWV in bepaalde gevallen een eigen oordeel geven over de belastbaarheid van de werknemer. Als volgens UWV, op grond van het oordeel van de verzekeringsarts, geen resultaat is behaald, de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, daar geen deugdelijke grond voor is en de gebreken hersteld kunnen worden, zal UWV de verplichting voor de werkgever om het loon door te betalen verlengen met maximaal 52 weken. De regering wil de onzekerheid bij werkgevers over deze sancties wegnemen. Voorgesteld wordt daarom om het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer per 1 januari 2028 leidend te maken bij de RIV-toets door UWV. De verzekeringsarts van UWV zal dit advies niet langer beoordelen, wat meer zekerheid geeft aan werkgevers en de uitvoering bij UWV verlicht. De maatregel heeft als gevolg dat de RIV-toets zal berusten op een arbeidskundige beoordeling van het re-integratieverslag door UWV. De arbeidsdeskundige beoordeelt of werkgever en werknemer de re-integratie-inspanningen hebben gepleegd die passend zijn bij het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van dit oordeel bepaalt UWV of de inspanningen voldoende zijn geweest of dat een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wordt opgelegd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen dat wat niet beïnvloedbaar is, namelijk de vaststelling van de belastbaarheid door de bedrijfsarts, en dat waar werkgever en werknemer wel invloed op hebben, namelijk de re-integratieinspanningen. Het opleggen van loonsancties blijft mogelijk, maar één van de grondslagen hiertoe vervalt met dit wetsvoorstel. Loonsancties die een medisch verschil van inzicht tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts als hoofdoorzaak hebben, zullen door de voorgenomen wetswijziging dus niet meer voorkomen.
Een tweede knelpunt dat dit wetsvoorstel ondervangt is het volgende. Als gevolg van de lange wachttijden bij de WIA-claimbeoordelingen verstrekt UWV aan mensen een voorschot op de WIA-uitkering. Zij kunnen in financiële problemen komen als deze voorschotten (gedeeltelijk) terugbetaald moeten worden.
Daarom wordt sinds medio 2021 tegenwettelijk beleid gevoerd om het voorschot kwijt te schelden. Om ervoor te zorgen dat werknemers en werkgevers meer zekerheid krijgen over de toekomst van het beleid wordt hier in dit wetsvoorstel een wettelijke grondslag voor gecreëerd. De beoogde datum van inwerkingtreding hiervan is 1 januari 2027. Daarnaast wordt voorgesteld per beoogde datum van 1 januari 2030 de wijze van financiering van WIA-voorschotten wettelijk te regelen. Het wetsvoorstel bewerkstelligt daartoe een andere financieringswijze, waarbij lopende en kwijtgescholden WIA-voorschotten uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) worden betaald.
Tot slot wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om enkele aanpassingen rond het beëindigen van het recht op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aan te brengen.