Wetsvoorstel (27-05-2026) tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie alsmede intrekking van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen in verband met de modernisering van de strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven begaan door Kamerleden en bewindspersonen

—De regering heeft twee wetsvoorstellen ingediend om de procedure voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsdelicten te wijzigen. Het eerste voorstel (Kamerstukken II 36951, NJB 2026/1117, hierna) wijzigt artikel 119 Grondwet. Voor de periode waarin het huidige artikel 119 Grondwet nog van kracht is en binnen de grenzen van deze bepaling wordt met het tweede, onderhavige, voorstel – de Herzieningswet – een nieuwe procedure ingericht. De Raad van State is overigens niet overtuigd van de route die de regering kiest door met de Herzieningswet alvast enkele praktische knelpunten in de procedure op te lossen, vooruitlopend op wijziging van de Grondwet. In de Memorie van Toelichting is daarop nader beargumenteerd waarom dit toch passend geacht wordt.

Het wetsvoorstel heeft tot doel het strafrechtelijke kader voor de vervolging van politieke ambtsdragers te moderniseren. Het voorstel wijzigt onder meer het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie, en trekt de bestaande Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten in. De wijzigingen uit dit wetsvoorstel kunnen binnen het huidige grondwettelijke kader worden doorgevoerd, terwijl de aanpassing van het grondwettelijk kader in een separaat wetsvoorstel (NJB 2026/1117) is opgenomen.

Opsporingsfase

In de opsporingsfase wordt de verantwoordelijkheid gecentraliseerd bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Deze krijgt een duidelijke wettelijke taak om mogelijke ambtsmisdrijven te onderzoeken. Het onderzoek kan worden gestart op verzoek van de regering of de Tweede Kamer, maar ook ambtshalve door de procureur-generaal zelf. Dit laatste is belangrijk om te voorkomen dat politieke overwegingen een onderzoek blokkeren. Aangiften moeten voortaan direct bij de procureur-generaal worden gedaan. Als zij bij een andere instantie binnenkomen, moeten deze verplicht worden doorgestuurd. De procureur-generaal beoordeelt vervolgens of sprake is van een verdenking en kan een onderzoek starten. Daarbij kan hij gebruikmaken van een speciaal samengesteld onderzoeksteam met officieren van justitie en opsporingsambtenaren. De procureur-generaal blijft eindverantwoordelijk en heeft de leiding over dit team. Hoewel de procureur-generaal onafhankelijk opereert, behouden de regering en de Tweede Kamer invloed. Zij kunnen gezamenlijk besluiten een opsporingsonderzoek niet te starten of te beëindigen. Deze bevoegdheid hangt samen met hun grondwettelijke rol bij vervolging. Tegelijkertijd waarborgen onder meer de mogelijkheid tot ambtshalve onderzoek en de verplichting tot openbaarmaking van beëindigingsbesluiten dat politieke inmenging niet oncontroleerbaar is. Om vertraging te voorkomen, geldt als uitgangspunt dat het opsporingsonderzoek binnen zes maanden wordt afgerond. Indien nodig kan deze termijn door de Hoge Raad telkens met zes maanden worden verlengd.

Vervolgingsfase

Na afronding van het onderzoek rapporteert de procureur-generaal zijn bevindingen aan de regering en de Tweede Kamer. Daarbij geeft hij aan of en voor welke feiten vervolging mogelijk is. Beide organen moeten vervolgens binnen drie maanden beslissen of zij een vervolgingsopdracht geven. Als een van beide organen besluit tot vervolging, is de procureur-generaal verplicht om deze opdracht uit te voeren door de verdachte te dagvaarden bij de Hoge Raad. De vervolging is strikt gebonden aan de feiten die in de opdracht zijn genoemd. Indien geen besluit wordt genomen binnen de gestelde termijn, wordt dit aangemerkt als een beslissing om niet te vervolgen. In dat geval kan alleen onder strikte voorwaarden opnieuw een onderzoek worden ingesteld.

Berechting

Deze vindt plaats bij de Hoge Raad, die optreedt als rechter in eerste en enige aanleg. De procedure wordt zoveel mogelijk gelijkgeschakeld met reguliere strafzaken, zodat efficiëntie en herkenbaarheid worden bevorderd. Er is echter geen mogelijkheid tot hoger beroep, wat voortvloeit uit de huidige Grondwet. Om de praktische uitvoerbaarheid te verbeteren, wordt het aantal raadsheren dat deze zaken behandelt teruggebracht van tien naar zeven. Dit kleinere aantal moet bijdragen aan een efficiëntere behandeling van vaak complexe zaken, zonder afbreuk te doen aan de zorgvuldigheid.

Medeverdachten

Een belangrijke wijziging betreft de positie van medeverdachten. Zij vallen niet langer onder de bijzondere procedure bij de Hoge Raad, maar worden behandeld volgens het reguliere strafrecht. Dit betekent dat zij worden vervolgd door het openbaar ministerie en recht hebben op behandeling in meerdere instanties (rechtbank, hof en Hoge Raad). Hiermee wordt hun rechtsbescherming versterkt en wordt aangesloten bij de normale strafrechtelijke systematiek.

Kamerstukken