Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de vervolging en berechting van ambtsdelicten die zijn begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen (26-05-2026)

—Het wetsvoorstel voorziet in een wijziging van artikel 119 van de Grondwet en beoogt de bestaande regeling voor de vervolging en berechting van ambtsdelicten door Kamerleden en bewindspersonen te moderniseren. Aanleiding voor deze herziening zijn de aanbevelingen van de commissie-Fokkens, die concludeerde dat de huidige regeling onvoldoende effectief, complex en te sterk afhankelijk is van politieke besluitvorming.

Overheveling vervolgingsbeslissing

De bevoegdheid om te beslissen over strafvervolging wordt verplaatst van politieke organen (de regering en de Tweede Kamer) naar de procureur-generaal bij de Hoge Raad (PGHR). Hiermee wordt beoogd de strafrechtelijke beoordeling los te koppelen van politieke belangen en de onafhankelijkheid van het systeem te versterken. De PGHR wordt geschikt geacht voor deze rol vanwege zijn constitutioneel verankerde onafhankelijke positie, waaronder de benoeming voor het leven. Deze waarborg moet voorkomen dat vervolgingsbeslissingen worden beïnvloed door politieke druk of opportuniteitsoverwegingen. De bevoegdheid van de PGHR wordt expliciet in de Grondwet vastgelegd, omdat deze een wezenlijke impact heeft op de verhouding tussen parlement, regering en strafrechtelijke handhaving.

Afschaffing berechting door de Hoge Raad in één instantie

Een tweede belangrijke wijziging is het beëindigen van het forum privilegiatum. In de huidige situatie worden ambtsdelicten door de Hoge Raad behandeld in eerste en enige aanleg, zonder mogelijkheid van hoger beroep. Het voorstel schaft deze uitzonderingspositie af.

Voortaan zullen deze zaken volgens de reguliere strafrechtelijke procedure verlopen: behandeling in eerste aanleg door de rechtbank, gevolgd door mogelijk hoger beroep bij het gerechtshof en cassatie bij de Hoge Raad. Deze wijziging versterkt de rechtsbescherming van verdachten en sluit aan bij internationale normen, zoals het recht op behandeling in twee feitelijke instanties. Tegelijk wordt ook het risico weggenomen dat politieke ambtsdragers de indruk wekken in een bevoorrechte positie te verkeren. In haar advies is de Raad van State hier kritisch op. Berechting in drie instanties kost veel tijd, terwijl het voor de werking van het parlementaire stelsel en het vertrouwen in de rechtsstaat van belang is dat een verdenking niet te lang boven de markt blijft hangen.

Materiële reikwijdte en terminologie

Inhoudelijk verandert de reikwijdte van de regeling niet. Wel wordt de terminologie aangepast om beter aan te sluiten bij het strafrecht. De term ‘ambtsmisdrijven’ wordt vervangen door ‘ambtsdelicten’. Daarmee wordt expliciet duidelijk dat de regeling niet alleen betrekking heeft op misdrijven, maar ook op ambtsovertredingen en zogenoemde oneigenlijke ambtsdelicten. Daarnaast wordt verduidelijkt dat de regeling niet alleen geldt wanneer een ambtsdrager een strafbaar feit zelf pleegt, maar ook wanneer sprake is van betrokkenheid zoals medeplegen, uitlokking of medeplichtigheid.

Delegatie en nadere regelgeving

Het voorstel introduceert een grondslag om bij gewone wet nadere regels te stellen. Dit is onder meer relevant voor twee situaties:

  • Beklag tegen niet-vervolging:
    Er wordt voorzien in een mogelijkheid om rechterlijke controle uit te oefenen wanneer de PGHR besluit niet tot vervolging over te gaan. In dat geval kan een belanghebbende een beklag indienen, waarna een rechter (de Hoge Raad) kan beoordelen of alsnog vervolging moet worden ingesteld.
  • Samenloop met Europees Openbaar Ministerie (EOM):
    In gevallen waarin strafbare feiten ook onder de bevoegdheid van het EOM vallen, bijvoorbeeld bij fraude met EU-middelen, moet een afwijkende regeling mogelijk zijn. De nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in aanvullende wetgeving.

Kamerstukken