Besluit van 16 april 2026, Stb. 2026, 85

Besluit houdende wijziging van het Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie

—Met de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II (Stb. 2025, 333) wordt binnen het kader van de competentieverdeling van het openbaar ministerie de wettelijke taakomschrijving van het functioneel parket (FP) gewijzigd. Die taakomschrijving is neergelegd in artikel 9, lid 3 Sv. De wijziging strekt ertoe de aanduiding van de vervolgingsbevoegdheid van officieren van justitie bij het functioneel parket te actualiseren. Deze is nu beperkt tot de vervolging van strafbare feiten waarvan de opsporing ingevolge artikel 3 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten tot de taken van een bijzondere opsporingsdienst behoort. Artikel 9, lid 3 Sv komt daarom aldus te luiden dat de officier van justitie bij het functioneel parket is belast met de vervolging van de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. Met het oog daarop is de aanduiding van de strafbare feiten met de vervolging waarvan de officier van justitie bij het functioneel parket is belast in artikel 2 Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie aangepast. Het FP is bij zijn bevoegdheidsuitoefening dus in de eerste plaats belast met de vervolging van alle strafbare feiten die worden opgespoord door de bijzondere opsporingsdiensten. Door samenvoeging van verschillende handhavende diensten in de afgelopen jaren draagt het FP inmiddels ook zorg voor de vervolging van strafbare feiten die worden opgespoord door aan de bijzondere opsporingsdiensten verwante, of daarmee samengevoegde diensten.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.