Wet van 30-09-2026, Stb. 2026, 311

Wet tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het optimaliseren van procedures bij de huurcommissie (Wet toekomstbestendige huurcommissie)

—Deze wet wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ter verbetering van de organisatie en de procedures van de Huurcommissie. Met deze wet beoogt het kabinet de Huurcommissie beter toe te rusten op haar steeds omvangrijkere takenpakket. De afgelopen jaren is het aantal geschillen aanzienlijk toegenomen, mede door de invoering van nieuwe wetgeving op de huurmarkt en een grotere rol van de Huurcommissie bij de bescherming van huurders. De wet bevat zowel organisatorische als procedurele wijzigingen en moet leiden tot een efficiëntere, toegankelijkere en toekomstbestendige geschilbeslechting. Een belangrijk onderdeel van het voorstel betreft de versterking van de organisatie. Om schommelingen in de werklast beter op te vangen wordt een flexibele schil van niet-vaste zittingsvoorzitters mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de functie van plaatsvervangend bestuursvoorzitter wettelijk verankerd. Ook wordt de governance aangepast: leden van de Raad van Advies worden voortaan voor drie jaar benoemd, met ruimere mogelijkheden voor herbenoeming. Verder wordt expliciet vastgelegd dat zittingsleden hun werkzaamheden onafhankelijk verrichten en geen instructies ontvangen van de belangenorganisaties die hen hebben voorgedragen. De wet bevat daarnaast diverse maatregelen om procedures te stroomlijnen. De termijn waarbinnen een voorzitter een uitspraak kan doen wordt verlengd van vier naar zes weken. Ook krijgen partijen meer tijd om verzet aan te tekenen tegen een voorzittersuitspraak: de bestaande termijn van drie weken wordt verdubbeld naar zes weken. Dit bevordert de rechtsbescherming van huurders en verhuurders, met name in zaken die zonder mondelinge behandeling worden afgedaan. Verder krijgt de Huurcommissie de bevoegdheid wettelijke beslistermijnen tijdelijk op te schorten als partijen noodzakelijke stukken niet hebben aangeleverd. Zo wordt voorkomen dat dossiers onvolledig worden beoordeeld of procedures onnodig vastlopen. Een wezenlijke wijziging betreft het verdwijnen van de afzonderlijke procedure voor klachten over gedragingen van verhuurders. De Huurcommissie zal zich daardoor sterker kunnen concentreren op haar kerntaak: de beslechting van huurrechtelijke geschillen. Ook op inhoudelijk huurrechtelijk terrein bevat de wet aanpassingen. Zo wordt de rechtsbescherming rond huurverhogingen geharmoniseerd. Huurders krijgen meer mogelijkheden om huurverhogingen die voortvloeien uit contractuele bedingen ter toetsing aan de Huurcommissie voor te leggen. Huurverhogingen op grond van een beding in een contract in het laagsegment kunnen voortaan door de huurder aan de Huurcommissie worden voorgelegd. Huurverhogingen op grond van een beding (in het laag- of middensegment) kunnen niet meer worden doorgevoerd indien sprake is van een door de Huurcommissie geconstateerd gebrek in de woning dat tot tijdelijke huurverlaging heeft geleid. Hiermee wordt voorkomen dat de werking van een gebrekenprocedure feitelijk wordt uitgehold door een gelijktijdige huurverhoging. Voor procedures over onderhoudsgebreken wordt een nieuwe formele eis ingevoerd. Een huurder moet het gebrek eerst schriftelijk bij de verhuurder melden voordat de Huurcommissie een verzoek behandelt. Deze verplichting sluit aan bij de bestaande systematiek van het huurrecht en wordt hiermee beter vastgelegd op welk moment de verhuurder van het gebrek kennis heeft genomen. Dit moet de bewijspositie van partijen versterken en discussies over meldmomenten voorkomen.

Daarnaast worden de regels rond all-in-huurprijzen aangepast. Het huidige systeem wordt door veel partijen als onoverzichtelijk ervaren, waardoor huurders soms langdurig in onzekerheid blijven over de verhouding tussen kale huur en servicekosten. Ook krijgt de Huurcommissie meer ruimte om het servicekostenformulier zelfstandig vast te stellen en aan te passen. Daarmee kan sneller worden ingespeeld op veranderingen in de praktijk en wordt beoogd de begrijpelijkheid voor huurders en verhuurders te vergroten.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.