Wet van 14 oktober 2026, Stb. 2026, 315

Wet tot wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht

—De wet strekt tot aanpassing van het in 2015 ingediende voorstel van wet, houdende regels met betrekking tot terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, Wtvb) (Kamerstukken 34309). De wet Wtvb schiet volgens de regering op een aantal punten, gezien de veranderde situatie sinds 2015 tekort, met name ten aanzien van de groep overlastgevende vreemdelingen die in asielzoekerscentra of de openbare ruimte en in bewaring voor grote problemen zorgt. De novelle beoogt ervoor te zorgen dat de huidige praktijk om overlastgevers effectief aan te pakken gehandhaafd kan blijven, zonder afbreuk te doen aan het uitgangspunt van minimale beperkingen van de wet.

De mogelijkheden om overlastgevende vreemdelingen die nog in de asielprocedure zitten een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen werden volgens de regering te beperkt vormgegeven. Om dit op te lossen wordt met onderhavige novelle het huidige artikel 56 Vw 2000 gehandhaafd.

Een tweede punt van aanpassing is het voorstel dat de novelle de Wtvb zo aanpast dat een lockdown met gefaseerde uitbreiding van het dagprogramma ook in de toekomst mogelijk blijft en met voldoende waarborgen is omkleed. De directeur krijgt daartoe in de Wtvb de bevoegdheid om, zowel in het verblijfsregime als het beheersregime, een lockdown van maximaal zes weken in te stellen. Daarbij kunnen vreemdelingen gedurende maximaal 23 uur per dag worden ingesloten op hun cel en in fasen toewerken naar een volledig dagprogramma, totdat de situatie onder controle is.

Een derde punt van aanpassing betreft het aanvullen van het nieuwe wettelijke kader met een nationale grondslag voor vreemdelingenbewaring voor die vreemdelingen die niet vallen onder het toepassingsbereik van de EU-Terugkeerrichtlijn, de EU-Opvangrichtlijn of de Dublinverordening. Nederland heeft de afgelopen tijd te maken met ook nog een andere vorm van overlast, namelijk in de publieke ruimte en veroorzaakt door vreemdelingen die hier illegaal verblijven maar die in een andere lidstaat een verblijfsstatus hebben. Deze secundaire migratie brengt een oneigenlijke belasting van de Nederlandse voorzieningen mee. Daarnaast gaat het in voorkomende gevallen om rondtrekkende statushouders die EU-breed voor problemen zorgen. Ook Unieburgers veroorzaken soms overlast. Voor beide groepen acht het kabinet het belangrijk dat men vertrekt naar het land van herkomst of naar het land dat de verblijfsstatus heeft verleend, eventueel met dwang en voorafgaande bewaring indien noodzakelijk. Thans ontbreekt een specifiek voor deze gevallen bedoelde nationale grondslag in de Vw 2000. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit 14-10-2026, Stb. 2026, 320

Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de onderdelen D, P en Q van artikel 99 van Regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (Stb. 2026, 314) en de artikelen IA en IB van de Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (Stb. 2026, 315)

—De onderdelen D, P en Q van artikel 99 van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring treden in werking met ingang van 16 oktober 2026.

Artikel IA en artikel IB van de novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring treden in werking met ingang van 16 oktober 2026.