Wet van 22 april 2026, Stb. 2026, 105 en inwerkingtredingsbesluit van 05-06-2026, Stb. 2026, 107
Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel)
—Met het tweestatusstelsel komt er een duidelijker onderscheid tussen de status van vluchtelingen en subsidiair beschermden en worden er striktere nareisvoorwaarden gesteld aan de laatste groep. Verder beperkt deze wet de gezinsleden die in aanmerking komen voor nareis voor beide groepen. Bij de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in art. 28 Vw 2000, wordt voortaan onderscheid gemaakt tussen de verlening van de verblijfsvergunning aan personen die vluchteling zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag en personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Dat gebeurt door een wijziging van artikel 29, en de introductie van een nieuw artikel 29a inzake subsidiair beschermden in de Vw 2000. Aan de vreemdeling die vluchteling is, wordt voortaan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verstrekt als bedoeld in artikel 28, in samenhang met artikel 29, lid 1 Vw 2000. Aan personen die de subsidiairebeschermingsstatus verkrijgen wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verstrekt als bedoeld in artikel 28, in samenhang met het nieuwe artikel 29a, lid 1 Vw 2000.
Gezinsherenigingsrichtlijn
De Gezinsherenigingrichtlijn kent gunstiger voorwaarden toe aan vluchtelingen om gezinsleden over te laten komen, dan aan andere onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van lidstaten verblijven. Zo mogen de in die richtlijn opgenomen mogelijke voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging, zoals het beschikken over huisvesting of stabiele inkomsten, niet worden gesteld aan een vluchteling, mits het verzoek om gezinshereniging wordt ingediend binnen drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus. Ook is het niet mogelijk een wachttermijn te hanteren. De Gezinsherenigingsrichtlijn schrijft deze gunstiger voorwaarden niet voor voor subsidiair beschermden. Nederland koos er tot nog toe voor de Gezinsherenigingsrichtlijn ook op subsidiair beschermden toe te passen. Met de invoering van deze wet wordt deze niet langer analoog toegepast op subsidiair beschermden.
Nareis
De belangrijkste consequentie van de invoering van een tweestatusstelsel is daarom dat er strengere voorwaarden kunnen worden verbonden aan de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Aan een nareizend gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29a (nieuw) Vw 2000, wordt slechts een afgeleide asielvergunning verstrekt als:
- twee jaar zijn verstreken gerekend vanaf de datum waarop de asielaanvraag van de vreemdeling met subsidiaire bescherming is ingewilligd;
- de vreemdeling met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; en
- de vreemdeling met subsidiaire bescherming beschikt over huisvesting.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over wat wordt verstaan onder het zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de voorwaarden die gelden in reguliere zaken. Dit komt neer op een bedrag ten hoogte van het minimumloon. Van een alleenstaande minderjarige vreemdeling met een (subsidiaire beschermings)status wordt niet verwacht dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Tevens wordt de groep die in aanmerking komt voor gezinshereniging via nareis teruggebracht tot die gezinsleden die behoren tot het kerngezin. Deze beperking geldt zowel voor de nareis van gezinsleden van vluchtelingen, als voor de nareis van vreemdelingen met de subsidiairebeschermingsstatus. In de loop der jaren is het nareisbeleid, onder andere als gevolg van jurisprudentie, verbreed en complexer geworden. Ter verbetering hiervan wordt het nareisbeleid versimpeld en beperkt. De regering sluit met de nieuwe, beperktere definitie van het kerngezin aan bij de minimale normen van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Nareis wordt beperkt tot:
- de meerderjarige echtgenoot;
- het biologische of geadopteerde kind;
- de ouders, indien de houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een alleenstaande minderjarige vreemdeling is;
- de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.
De mogelijkheid voor meerderjarige kinderen en pleegkinderen om als nareizend gezinslid in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt geschat, net als de mogelijkheid voor ongehuwde partners om te kunnen nareizen. Dit laat onverlet dat ongehuwde levenspartners en meerderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin van de vergunninghouder behoren, zich nog altijd kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. De IND toetst hier ambtshalve aan. Uit artikel 8 EVRM volgt geen algemeen recht tot gezinshereniging, maar wel een verplichting om in individuele gevallen een belangenafweging te verrichten.
Bij amendement (Ceder) is een evaluatietermijn van drie jaar ingevoegd waarbij vooral moet worden bekeken of de vermeende crisissituatie waaraan deze wet het hoofd zou moeten bieden nog voortduurt.
Inwerkingtreding
Inwerkingtreding per 12 juni 2026. Er is niet in overgangsrecht voorzien.
Kamerstukken
- TK 2024/25, 36703, nr. 1
- TK 2024/25, 36703, nr. 2
- TK 2024/25, 36703, nr. 3
- TK 2024/25, 36703, nr. 4
- TK 2024/25, 36703, nr. 9
- TK 2024/25, 36703, nr. 12
- TK 2024/25, 36703, nr. 20
- TK 2024/25, 36703, nr. 21
- TK 2024/25, 36703, nr. 23
- TK 2024/25, 36703, nr. 24
- TK 2024/25, 36703, nr. 25
- TK 2024/25, 36703, nr. 32
- TK 2024/25, 36703, nr. 39
- TK 2024/25, 36703, nr. 40
- EK 2024/25, 36703, nr. A
- EK 2025/26, 36703, nr. B
- EK 2025/26, 36703, nr. E
- EK 2025/26, 36703, nr. F
- EK 2025/26, 36703, nr. G
- EK 2025/26, 36703, nr. H
- EK 2025/26, 36703, nr. I
- EK 2025/26, 36703, nr. P