Wet van 27-05-2026, Stb. 2026, 127 en inwerkingtredingsbesluit van 05-06-2026, Stb. 2026, 129
Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asielen migratiepact 2026)
—Met deze wet wordt uitvoering gegeven aan het EU Asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 van toepassing wordt. Een belangrijke wijziging is dat regelingen die voorheen waren neergelegd in een richtlijn, nu zijn opgenomen in een verordening en zonder tussenkomst van de nationale wetgever direct toepasselijk zijn in de Nederlandse rechtsorde. Veel bestaande nationale bepalingen, waarmee richtlijnen werden omgezet moeten daarom worden geschrapt. Tegelijkertijd bevatten de verordeningen open normen en lidstaatopties die op nationaal niveau moeten worden ingevuld. Met onderhavig wet wordt daaraan uitvoering gegeven. Meer specifiek is dat aan:
- de Kwalificatieverordening (over de voorwaarden voor internationale bescherming en daaraan verbonden rechten);
- de Procedureverordening (over de asielprocedure);
- de Asiel- en Migratiebeheerverordening (verdeling verantwoordelijkheid voor asielaanvragen over de lidstaten van de EU);
- de herschikte Opvangrichtlijn (eisen aan de opvang asielzoekers);
- de Screeningverordening (over de screening van vreemdelingen op het grondgebied van de EU), en
- de Eurodacverordening (over het Eurodacsysteem waarin gegevens van vreemdelingen worden verzameld).
Drie verordeningen uit het Asiel- en migratiepact behoeven volgens de regering geen uitvoeringswetgeving. Dat betreft:
- de Uniekaderverordening (over hervestiging en toelating op humanitaire gronden),
- de Verordening consistentiewijzigingen (met betrekking tot screening) en
- de Crisis- en overmachtsverordening.
Een laatste verordening – de Terugkeergrensprocedureverordening – wordt buiten toepassing gelaten op grond van het nationale recht.
Bij de invulling van de facultatieve nationale ruimte die het Asiel- en migratiepact biedt is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de maatregelen die onderdeel uitmaken van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. De Asielnoodmaatregelenwet is inmiddels verworpen door de Eerste Kamer. De Wet invoering tweestatusstelsel (Stb. 2026, 105) treedt in werking op 12 juni 2026. Er zijn verschillende onderwerpen die zowel worden geregeld in de Wet invoering tweestatusstelsel als in de verworpen Asielnoodmaatregelenwet en in onderhavige implementatiewet. Daarbij gaat het om de invoering van een tweestatusstelsel, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het afschaffen van de voornemenprocedure in de asielprocedure, het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, het verkorten van de geldigheidsduur van de asielvergunning van vijf naar drie jaar en een efficiëntere behandeling van (herhaalde) asielaanvragen.
Al dan niet dwingende keuzes
De regering heeft in de implementatiewet op verschillende punten keuzes gemaakt die volgens het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State niet dwingend uit de verordeningen en richtlijn volgen, maar waarvoor het Asiel- en migratierecht wel ruimte laat. Daarbij gaat het in een aantal gevallen om keuzes die tot aanvullende uitvoeringslasten (kunnen) leiden. Dit geldt in het bijzonder voor de invoering van het tweestatusstelsel, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daarmee wordt, aldus de Afdeling, niet voldaan aan het uitgangspunt dat bij de implementatie en uitvoering van Europese verordeningen en richtlijnen geen extra nationaal beleid wordt meegenomen.
Delegatie
Verder is ervoor gekozen om een deel van de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact niet te regelen op het niveau van een wet in formele zin, maar op een lager niveau van regelgeving. Hiertoe is in een groot aantal nieuwe delegatiebepalingen opgenomen die het mogelijk maken om bepaalde onderwerpen op het niveau van een amvb of bij ministeriële regeling te regelen. De Afdeling was hier kritisch op en wijst op het primaat van de wetgever zeker bij onderwerpen als nareisvoorwaarden, juridische counseling en aanwijzing van bevoegdheden onder de EU‑verordeningen. Daarop zijn sommige onderwerpen alsnog naar wetsniveau getild (o.a. het onafhankelijk toezichtmechanisme en de rol van de KMar bij screening).
Onmiddellijke werking
De wet treedt grotendeels onmiddellijke inwerking. Dit betekent dat de nieuwe regels direct toepasselijk zijn op lopende asielprocedures. Dit omdat ook het Asiel- en migratiepact grotendeels onmiddellijke werking heeft, en dus met ingang van het toepasselijk worden ervan meteen moet worden nageleefd. Bij niet-dwingende nationale keuzes staat het Unierecht er echter niet aan in de weg om af te wijken van onmiddellijke werking. In een aantal gevallen is gebruik gemaakt van deze ruimte. Dit geldt in ieder geval voor de afschaffing van de voornemenprocedure en voor de aangescherpte voorwaarden voor nareis. Daarnaast vloeien ook de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de invoering van het tweestatusstelsel niet dwingend voort uit het Unierecht.
Verordeningen
Onderstaand worden de Kwalificatie- en de Procedureverordening beschreven. De overige verordeningen blijven buiten beschouwing.
Kwalificatieverordening
De Kwalificatieverordening regelt wanneer een vreemdeling de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus moet krijgen en welke rechten aan die statussen zijn verbonden.
Verblijfsvergunning onbepaalde tijd
De regering heeft in de Kwalificatieverordening een verplichting gelezen om geen verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd meer te verlenen. Tot nu toe wordt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend als een asielgerechtigde vijf jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven en heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste. Volgens de regering is het verlenen van zo’n verblijfsvergunning onder de Kwalificatieverordening niet meer mogelijk. Volgens de Afdeling is dat niet juist. De Kwalificatieverordening laat toe dat nationaal wordt bepaald of asielgerechtigden na verloop van tijd een sterkere verblijfstitel krijgen, één die niet langer afhankelijk is van het voortduren van de internationale beschermingsstatus. De regering ziet dat anders. Aan de overgebleven verblijfsvergunning asiel, die dus kan worden ingetrokken wanneer er geen noodzaak meer bestaat aan internationale bescherming, zal geen geldigheidsduur meer worden verbonden. Maar aan de verblijfstitel – de aan de vergunning verbonden machtiging om in Nederland te verblijven – wordt in de wet wel een geldigheidsduur verbonden.
Invoering tweestatusstelsel
Volgens de regering is er onder de Kwalificatieverordening geen ruimte meer om één uniforme asielvergunning te verlenen waarbij het uiteindelijk niet uitmaakt welke precieze internationale beschermingsstatus de vreemdeling verkrijgt. Deze flexibele invulling was tot dusver mogelijk omdat de Kwalificatierichtlijn het de lidstaten toestond gunstigere regels vast te stellen voor het bepalen wie voor welke status in aanmerking kwam en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming. Deze ruimte verdwijnt volgens de regering onder het regime van de Kwalificatieverordening. Dit in tegenstelling tot de Afdeling advisering van de Raad van State die meent dat die ruimte er nog steeds is.
Nareis
De wet introduceert, net als de wet tweestatusstel, een onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden met betrekking tot het recht op gezinshereniging. Aan de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden worden extra voorwaarden gesteld en alleen het ‘kerngezin’ kan nareizen.
Procedureverordening
De Procedureverordening bevat bepalingen over de inrichting van een gemeenschappelijke asielprocedure, met het doel de procedurele regelingen van de lidstaten te stroomlijnen, te vereenvoudigen en te harmoniseren. Hiertoe regelt de Procedureverordening de verschillende stappen van de asielprocedure, waaronder het doen van een verzoek en de registratie, indiening, behandeling en afdoening daarvan. De verordening schrijft daarnaast voor welke rechten en plichten verzoekers tijdens deze stappen hebben, zoals het recht op een persoonlijk onderhoud en het recht op kosteloze juridische counseling. Ook bevat de verordening regels over de procedure voor de intrekking van internationale bescherming en de beroepsprocedure, en wordt in bepaalde situaties een versnelde behandeling of toepassing van de asielgrensprocedure voorgeschreven. Ter implementatie van de Procedureverordening worden de procedurele regels die voortaan rechtstreeks uit de Procedureverordening volgen uit de nationale regelgeving geschrapt. Ook is ervoor gekozen om aanvullende nationale procedurestappen die op dit moment onderdeel uitmaken van de asielprocedure maar niet zijn verplicht op grond van de Procedureverordening, zoals de voornemenprocedure, te laten vervallen. Daarnaast wordt invulling gegeven aan een aantal procedureregels die op grond van de Procedureverordening op nationaal niveau dienen te worden vastgelegd, zoals de beslistermijnen.
Juridische counseling
Op grond van de Procedureverordening hebben vreemdelingen die een verzoek om internationale bescherming indienen tijdens de administratieve fase van de asielprocedure recht op kosteloze juridische counseling. Deze counseling moet worden geboden door juridische counselors, die krachtens het nationale recht zijn erkend of toegelaten om de verzoekers counseling te verstrekken, dan wel door niet-gouvernementele organisaties die krachtens het nationale recht zijn geaccrediteerd om juridische diensten of vertegenwoordiging aan verzoekers te bieden. In de implementatiewet is een delegatiegrondslag opgenomen om bij ministeriële regeling regels te stellen over de erkenning of toelating van juridisch adviseurs of andere counselors. Dit ondanks dat de Afdeling het, gelet op de belangrijke rol die in de Procedureverordening aan de juridische counselor wordt toegedicht, wenselijk is de juridische counseling op hoofdlijnen op wettelijk niveau vast te leggen.
Beroepstermijn
Op grond van de Procedureverordening dienen de lidstaten in hun nationale recht vast te stellen binnen welke termijn verzoekers beroep dienen in te stellen tegen een beslissing op hun verzoek op internationale bescherming, een beslissing tot intrekking van internationale bescherming en een terugkeerbesluit. Wanneer een verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, of wanneer het impliciet is ingetrokken of (kennelijk) ongegrond is, dient de termijn minimaal vijf dagen en maximaal tien dagen te zijn. In de overige gevallen dient de beroepstermijn minimaal twee weken en maximaal één maand te zijn. Hiertoe wordt in het wetsvoorstel geregeld dat de beroepstermijn één week bedraagt in de hiervoor beschreven situaties. De beroepstermijn bedraagt twee weken indien de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend (in plaats van de vluchtelingenstatus), de aanvraag is afgewezen als ongegrond of de internationale beschermingsstatus is ingetrokken. De huidige termijn voor het indienen van beroep indien de aanvraag is afgewezen als ongegrond of de internationale beschermingsstatus is ingetrokken, bedraagt vier weken. Dit betekent dat de beroepstermijn in deze situaties met wordt gehalveerd.
Inwerkingtreding en overgang
Op asielaanvragen van voor 12 juni 2026 blijft ten aanzien van de procedure het oude recht van toepassing, met uitzondering van nationale voorschriften die voor 12 juni 2026 aan de procedure werden gesteld, die niet dwingend uit de Procedurerichtlijn voortvloeiden en met ingang van die datum worden gewijzigd, zoals de voorschriften voortvloeiend uit de Wet tweestatusstelsel. De Procedureverordening is niet van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend voor 12 juni 2026.
De implementatiewet treedt in werking met ingang van 12 juni 2026.
Kamerstukken
- TK 2025/26, 36871, nr. 1
- TK 2025/26, 36871, nr. 2
- TK 2025/26, 36871, nr. 3
- TK 2025/26, 36871, nr. 4
- TK 2025/26, 36871, nr. 5
- TK 2025/26, 36871, nr. 6
- TK 2025/26, 36871, nr. 7
- EK 2025/26, 36871, nr. A
- EK 2025/26, 36871, nr. B
- EK 2025/26, 36871, nr. C
- EK 2025/26, 36871, nr. D
- EK 2025/26, 36871, nr. E
- EK 2025/26, 36871, nr. F
- EK 2025/26, 36871, nr. N
- EK 2025/26, 36871, nr. O