Wet van 08-07-2026, Stb. 2026, 237
Wet tot wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
—Deze wet strekt tot het vastleggen van ‘andere doelen’ waarvoor het Europees strafregisterinformatiesysteem gebruikt mag worden. Dat systeem bestaat uit twee onderdelen, Ecris en Ecris-TCN. Sinds 2012 is Ecris het informatiesysteem voor de doorgifte van informatie over veroordelingen tussen de centrale autoriteiten van de EU-lidstaten. Ecris-TCN is het centraal informatiesysteem waarin identiteitsgegevens worden opgeslagen van in de EU veroordeelde burgers die geen Europese nationaliteit hebben. Een lidstaat die informatie over veroordelingen behoeft over een persoon, kan via Ecris-TCN zien welke lidstaten informatie hebben en deze gegevens vervolgens via Ecris opvragen. De EU-regelingen schrijven voor dat Ecris wordt gebruikt voor bepaalde doelen. Daarnaast geven die regelingen ruimte aan de nationale wetgever om te bepalen dat Ecris kan worden gebruikt voor ‘andere doelen’. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) omvat de doelen voor het gebruik van het Europees strafregistersysteem voor zover deze voortvloeien uit Europese regelgeving. Met deze wet worden deze doelen in de Wjsg vastgelegd. Het betreft de doelen:
- het onderzoek in verband met de verklaring omtrent gedrag;
- het advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob-advies);
- het geschiktheidsonderzoek naar aspirant adoptiefouders en pleegouders en
- de beoordeling van criteria voor beslissingen in het migratierecht en nationaliteitsrecht.
De Afdeling merkte op dat volgens de AVG de verwerking van strafrechtelijke gegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht op bescherming van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Voor het beoordelen van de ernst van de inbreuk is onder meer van belang welke informatie wordt uitgewisseld. Volgens de toelichting gaat het om gegevens om betrokkene te identificeren en om gegevens over veroordelingen. Uit het Ecris-kaderbesluit blijkt volgens de Afdeling echter dat ook andere gegevens worden uitgewisseld als zij bij de centrale autoriteit van de lidstaat bekend zijn, zoals de namen van ouders van de veroordeelde, het identiteitsnummer van de veroordeelde, de vingerafdrukken en een gezichtsopname van de veroordeelde. Volgens de regering worden deze gegevens echter niet verwerkt in de justitiële documentatie en bijgevolg niet door de Nederlandse centrale autoriteit via Ecris doorgegeven. Omgekeerd worden deze persoonsgegevens ook niet door de Nederlandse centrale autoriteit via Ecris ontvangen. De Afdeling stoorde zich verder aan het feit dat in de toelichting is opgemerkt dat het gebruik van Ecris en Ecris-TCN een ‘geringe’ inbreuk op het recht op privéleven met zich meebrengt. Dit omdat het hier gaat om verwerking van strafrechtelijke gegevens in de zin van artikel 10 AVG. Het HvJ EU heeft overwogen dat verwerkingen van strafrechtelijke gegevens in zeer ernstige mate inbreuk kunnen maken op het recht op bescherming van het privéleven en persoonsgegevens. En ook op grond van artikel 10 Gw moet worden aangenomen dat de verwerking van strafrechtelijke gegevens een substantiële beperking oplevert van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is volgens de Afdeling evident dat buitenlandse informatie over veroordelingen belangrijk kan zijn voor de opgenomen doelen. Naar het oordeel van de regering is het gebruik van Ecris voor onder meer de beoordeling in het migratierecht en nationaliteitsrecht noodzakelijk en geschikt om nieuwe strafbare feiten te voorkomen. De, aldus de toelichting nog steeds, geringe beperking van het privéleven van de betrokken dat het gebruik van Ecris met zich meebrengt, wordt gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van de openbare orde en nationale veiligheid. Deze wet regelt verder dat voor nagenoeg dezelfde doelen informatie over veroordelingen wordt doorgegeven tussen de centrale autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en Nederland. Daartoe voorziet de wet in een wijziging van de Uitvoeringswet Handels- en samenwerkingsovereenkomst EU–VK Justitie en Veiligheid.
Inwerkingtreding
Inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.